header zoogdieren


 maak van deze website uw startpagina !

WorldwideBase
Alle wwbase pagina's

 

De apen

 

Zoogdierenpagina klik hier >>>

 

1. Kenmerken
Mandril
De apen zijn in bepaalde opzichten de hoogst ontwikkelde zoogdieren; in andere eigenschappen, zoals de ontwikkeling van alle vijf de vingers en tenen, staan de apen weer dicht bij de primitiefste zoogdieren, de insecteneters. Hun hersenen zijn relatief groter dan die van de andere dieren, speciaal de grote hersenen zijn groter en ingewikkelder van bouw. Door de relatieve overheersing van de hersenschedel ten opzichte van de aangezichtsschedel is deze laatste gereduceerd (kortere ‘snuit’), hetgeen weer invloed heeft gehad op de bouw van kaken en gebit. Het gebit is volledig, met sterk ontwikkelde hoektanden en met knobbelkiezen; de snijtanden zijn beitelvormig en verticaal geplaatst. De apen zijn alleseters (omnivoren). Al gaat hun voorkeur uit naar plantaardig voedsel, zoals vruchten, noten, knoppen, bloemen, bladeren, wortels en knollen, zij eten tevens jonge vogels en eieren, kruipende dieren, insecten en insectenlarven, slakken, mosselen, enz. De zintuigen zijn goed ontwikkeld; de voornaamste zijn de ogen, die in grote, gesloten oogkassen recht naar voren gericht staan, waardoor de apen in staat zijn stereoscopisch te zien en dus goed afstanden kunnen schatten, hetgeen voor hun levenswijze in bomen (grijpen van takken) van groot belang is. Ook de kleurzin is beter ontwikkeld dan bij de andere zoogdieren. Als gevolg van de beweeglijke gelaatsspieren hebben de apen een opvallende mimiek. De voorste ledematen zijn echte armen met een rolgewricht en een grijphand; de achterste ledematen eindigen meestal in grijpvoeten met opponeerbare grote teen. Vingers en tenen zijn voorzien van platte nagels. De grootte varieert van 17–19 cm (dwergoeistiti) tot 170–180 cm, het gewicht van 190 g tot 200 kg (gorilla).

2. Leefwijze
De meeste apen zijn dagdieren, die geheel zijn aangepast aan het leven in bomen; alleen een aantal rotsbewoners, zoals de bavianen, zijn bodemdieren geworden. Zij houden zich bij voorkeur in de kruinen op en bewegen zich kruipend-klimmend met alle vier de ledematen langs de takken of lopend en springend over de takken voort; de slingerapen, gibbons en mensapen bewegen zich, voornamelijk door middel van hun sterk ontwikkelde armen, hangendklimmend of zich van tak tot tak slingerend voort (brachiatie). Bij de meeste Breedneusapen wordt de grijpstaart als een vijfde hand gebruikt. De mensapen komen ook vaak op de bodem, maar lopen dan meestal steunend op hun armen. Als nachtverblijf bouwen de apen soms een nest van takken en bladeren. De lagere soorten leven veelal solitair, de hogere in troepen. Zo’n troep kan bestaan uit een harem met mannetje (pasja), enkele wijfjes en jongen, uit een familie of uit kleine of grote horden. In de troep heerst als regel een strenge sociale rangorde met een mannetje als leider aan de top. Bij de mensapen is er soms een neiging tot monogamie en gezinsvorming. Apen hebben geen bepaalde bronsttijd. De wijfjes brengen jaarlijks één jong ter wereld, dat door de moeder aan de borst (later soms op de rug) wordt meegedragen.

3. Evolutie
De kennis van de evolutie van de apen vertoont nog vele lacunes, omdat fossielen zeldzaam en vaak zeer fragmentarisch zijn. Toch beginnen de grote lijnen zich af te tekenen. De apen hebben zich ontwikkeld uit halfaapachtige voorouders. De meeste paleontologen menen dat de apenstammen zich afzonderlijk ontwikkeld hebben uit verschillende stammen van halfapen in het Vroeg-Tertiair (ca. 60 à 50 miljoen jaar geleden). De fossielen die deze opvatting moeten bevestigen, ontbreken echter nog. Het is duidelijk dat de Breedneusapen in Amerika en de Smalneusapen in Afrika, Europa en Azië onderling nauw verwant zijn, wat onlangs door biochemisch onderzoek bevestigd is. De eerste Smalneusapen worden reeds gevonden in het Boven-Eoceen (ca. 40 miljoen jaar geleden), hoewel over de juiste positie van deze fossielen nog twijfel bestaat. Fossielen van Smalneusapen worden in latere tijden talrijker. Ook in Europa kwamen zij voor. Een van de noordelijkste vindplaatsen is Tegelen, waar in het Tiglien, dus in het begin van het Kwartair, makaken leefden die nauw verwant waren met de huidige staartloze magot van Noord-Afrika en Gibraltar.

De stam van de Hominoidea (Mensachtigen) is vermoedelijk ook rechtstreeks en afzonderlijk uit halfapen geëvolueerd en wellicht is Parapithecus fraesi uit het Onder-Oligoceen (ca. 35 miljoen jaar geleden) van El Fajoem in Egypte een overgangsvorm; hij vertoont naast typische halfaaptrekken ook kenmerken van mensapen. Propliopithecus haeckeli uit dezelfde periode is reeds duidelijk gibbonachtig, hoewel sommigen hem als een gemeenschappelijke voorvader van gibbons en mensapen willen zien. Uit latere perioden, Mioceen en Plioceen, zijn echte gibbons bekend.

De Eigenlijke Mensapen (Pongidae) hebben zich in het Vroeg-Mioceen (ca. 25 miljoen jaar geleden) in Oost-Afrika rijk ontwikkeld. Onder de vele vormen heeft vooral Proconsul africanus door zijn vele ‘menselijke’ trekken de aandacht getrokken. Het is niet uitgesloten dat de stam van de Mensen (Hominidae) zich toen al van de stam van de Eigenlijke Mensapen (Pongidae) heeft afgescheiden. Deze laatste hebben zich tegelijkertijd in Midden-Afrika sterk ontwikkeld en zich verbreid tot in Indië (Siwalik-lagen) en Europa. In het latere Mioceen (ca. 20 miljoen jaar geleden) speelden de Dryopithecinae, die dicht bij gorilla en chimpansee staan, een grote rol in Indië en Afrika. Zij kwamen ook in Europa voor.

Wanneer de mensenstam (Hominidae) zich afsplitste van de gemeenschappelijke oerstam van Mensapen en Mensen, is onder de paleontologen een sterk omstreden kwestie. Uit het Boven-Mioceen of Onder-Plioceen van Toscane was reeds sinds 1871 Oreopithecus bambolii bekend, doch men rekende deze tot de Smalneusapen. Sedert 1949 echter heeft Hürzeler vele nieuwe vondsten gedaan en van hem is de theorie afkomstig dat Oreopithecus een vroege Hominide is. Indien dit juist is, zou de stam van de Hominiden reeds ruim 10 miljoen jaar oud zijn. Hürzelers opvattingen worden door sommige onderzoekers gedeeld (o.a. Heberer, Kälin), door anderen echter bestreden (o.a. Von Koenigswald, Valois). Het is ook mogelijk dat Oreopithecus geen voorvader van de Hominidae is, maar een vroege zijtak.

Drie nu nog voorkomende families apen zijn ontstaan uit een groep dieren die ongeveer 35 miljoen jaar geleden voor het eerst op aarde verscheen. De grijpstaartapen, waaronder de wolapen, de kapucijnerapen en de slingerapen, en de klauwaapjes, hier vertegenwoordigd door het zijdeaapje, behoren tot de onderorde breedneusapen, de apen van de Nieuwe Wereld, met grote neusgaten. De Cercopithidae, of apen van de Oude Wereld, hebben smalle neusgaten die dicht bij elkaar zitten. Tot deze familie behoren de magot, de neusaap, de resusaap, de baviaan en de hoelman.  Apen zijn zeer sociale dieren. De meeste van hen leven in grote gemeenschappen. Het oudste of het sterkste mannetje heeft de leiding en is verantwoordelijk voor de veiligheid van de groep. Apen kunnen in twee ordes worden onderverdeeld: de apen van de Oude Wereld, ook wel smalneusapen genoemd, en de apen van de Nieuwe Wereld, ook wel breedneusapen genoemd. Tot de apen van de Oude Wereld behoren onder andere de families van de gibbons, de mensapen en de oerwoudkatten. Ze komen alleen maar op het oostelijk halfrond voor. Omdat hun neusgaten zo dicht bij elkaar staan, worden ze ook wel smalneusapen genoemd.

Tot de Apen van de Nieuwe Wereld behoren onder andere brulapen, kapucijnapen en klauwaapjes. Ze leven in de tropische oerwouden van Midden- en Zuid-Amerika. Omdat hun neusgaten zo ver uit elkaar staan, worden ze ook wel breedneusapen genoemd.

Halfapen
Evenals de apen hebben ook de halfapen handige grijphanden en -voeten. Qua uiterlijk lijken ze echter niet zo zeer op de apen. Hun koppen zijn meestal langwerpig en vos-achtig. Ze leven voornamelijk in de bomen van Afrika en Azië. De grootte van de halfapen is zeer verschillend; de dwergmuismaki is zo groot als een muis, de indri is bijna 1 meter groot. Bij sommige soorten is de staart soms langer dan het gehele lichaam, bij andere soorten is hij bijna helemaal verdwenen.

Tot de halfapen behoren onder andere de lemuren (maki's), lori's en indri's.

4. Mens en aap
De instelling van de mens ten opzichte van de aap vertoont grote variaties in verschillende culturen en tijden. Bij de oude Egyptenaren was de mantelbaviaan heilig, bij de huidige Hindoes (zie hindoeïsme) is dit nog het geval met de hoelman. In vele Indiaanse mythen wordt de aap als voorloper van de mens beschouwd. Vermoedelijk vindt de Indiaanse gewoonte alle haren van het lichaam te verwijderen haar oorsprong in deze opvatting: de aap is dan de ‘harige’, een wezen waarop de mens zo weinig mogelijk wil lijken.

Omdat de aap veel gelijkenis vertoont met de mens, maar geen mens is, zagen de middeleeuwse christenen hem als de duivel, als het symbool van zonde en afgoderij, vandaar dat middeleeuwse voorstellingen van heidense goden vaak aapachtige trekken vertonen. Hij komt veel voor op kapitelen, als versiering van misericordes, als randmotief in laat-middeleeuwse handschriften en in spotprenten. Sedert de 15de eeuw geldt de aap als symbool van dwaasheid, ijdelheid en zelfoverschatting, een wezen met veel menselijks maar ook veel onverstand. Bekend is het gegeven van de apin die haar jong zo stevig tegen de borst drukt, dat het aan de liefkozing sterft; in de emblemataliteratuur (zie emblemataboeken) werd dit de befaamde apenliefde. Onder Lodewijk XV ontstond in Frankrijk de mode apen die menselijke bezigheden verrichtten, te gebruiken als decoratiemotief (zie singerie).

► Het sociale leven van de apen is hoog ontwikkeld; naast een aantal handelingen (bijv. ‘vlooien’, waarbij gezocht wordt naar uit zweet uitgekristalliseerde zoutkristallen en vochtverontreiniging) en lichaamshoudingen speelt ook de mimiek een grote rol. Zie voorts communicatie.

► Wat de grote mensapen betreft, toen deze in Europa door de ontdekkingsreizen beter bekend werden, viel eerst de nadruk op hun ‘menselijke’ eigenschappen. Afbeeldingen uit die tijd stellen chimpansee en gorilla voor als vriendelijke dieren die haast mensen zijn in houding en uitdrukking. Na de opkomst van het darwinisme ging men de mensapen zien als de voorouders van het dier ‘mens’. De nadruk kwam te liggen op het ‘dierlijke’; op het einde van de 19de eeuw werden zij bij voorkeur afgebeeld als woeste, bloeddorstige monsters.

► Het economisch nut van de apen is gering en vrijwel beperkt tot de pelshandel, vnl. in huiden van Colobus-soorten (Colobus vellerosus, C. caudatus) en van enkele meerkatten.

► Voor het wetenschappelijk onderzoek zijn enkele soorten als laboratoriumdieren van zeer groot belang, met name de resusaap, groene meerkat, doodskopaapje en de chimpansee.

► Apen zijn zeer sociale dieren. De meeste van hen leven in grotere gemeenschappen. Het grootste of het sterkste mannetje heeft de leiding en zorgt voor de veiligheid van de groep. De vrouwtjes baren één jong per keer. Na de geboorte klampt het jong zich aan de moeder vast en wordt het overal meegenomen. Daarbij kan het ongestoord van de moedermelk drinken. Apen hebben grote hersenen en zijn zeer leergierig. Ze kunnen weliswaar niet spreken, maar met hun sprekende gebaren en verschillende geluiden kunnen ze goed communiceren.

► Apen leven overwegend in de bossen en zijn goed aangepast aan een klimmend bestaan. Mensapen en bavianen zijn niet zo beweeglijk. De overige soorten ziet men opgewekt van boom tot boom springen. Daarbij dienen de staart en de achterpoten als stuur. Veel soorten gebruiken de staart als vijfde grijphand als ze takken hangen en slingeren of als ze voedsel proberen te grijpen. Ze voeden zich met bladeren en vruchten van bomen, maar ook met wortels en knollen. Soms eten ze ook eieren en jonge vogels. Apen kunnen goed klimmen, wanneer ze op de grond lopen bewegen ze zich plomp en stijf. Gibbons lopen bijvoorbeeld rechtop en ze proberen hun evenwicht te bewaren door de armen uit te strekken. Andere soorten zetten zich met de handen af en zwaaien met hun lichaam en achterpoten naar voren.

Apen, die tot de opperdieren behoren, kunnen worden onderverdeeld in apen van de Oude Wereld of te wel smalneusapen en apen van de Nieuwe Wereld of te wel breedneusapen. Tot de apen van de Oude Wereld behoren onder andere de families van de gibbons, de mensapen en de meerkatten. Ze komen alleen op het oostelijk halfrond voor. Omdat hun neusgaten zo dicht bij elkaar staan, worden ze ook wel smalneusapen genoemd. Tot de Apen van de Nieuwe Wereld behoren onder andere de brulapen, kapucijnapen en de klauwaapjes. Ze leven in de tropische oerwouden van Midden- en Zuid-Amerika. Omdat hun neusgaten ver uit elkaar staan worden ze ook wel breedneusapen genoemd. Vroeger trof je apen op veel meer plaatsen op aarde aan. Tegenwoordig is hun leefgebied beperkt tot de warme streken, want apen zijn, afgezien van enkele bavianensoorten, zeer gevoelig voor kou. Elk werelddeel heeft zijn eigen speciale soorten, Europa leeft slechts één soort.

 

 
   

footer zoogdieren

© copyright WorldwideBase 2005-2009