header zoogdieren


 maak van deze website uw startpagina !

WorldwideBase
Alle wwbase pagina's

 

Damhert

 

Zoogdierenpagina klik hier >>>

 

Hoewel ons woord hert is afgeleid van het Germaanse xeruta, wat gehoornd dier betekent, waren de vroegste voorouders van de herten even geweiloos als nu de muskusherten en de waterreeen. Pas vanaf het Midden-Tertiair zien we, in de loop van miljoenen jaren, de meest uiteenlopende geweivormen ontstaan. Bij de primitieve herten bestaat dit gewei nog uit korte, enkelvoudige, rechte spitsen. Ongeveer twee miljoen jaar geleden raakt het vertakt en wordt voor het eerst het zesenderstadium overschreden. Een kenmerk van dit vertakte gewei van been is dat het regelmatig wordt afgeworpen en, met het rendier als uitzondering, alleen bij de bokken voorkomt.
Azië wordt als de bakermat van de herten beschouwd, hiervandaan verspreidden ze zich over de hele wereld. Hoe precies de afstamming van de diverse groepen ligt, is niet bekend. Zo verschijnen tijdens de ijstijden ineens dieren als elanden en reeen, groepen waarvan men de fossiele voorouders nog steeds niet gevonden heeft. Het in diezelfde periode op de enorme vlakten voorkomende reuzenhert had al een schoffelgewei, zoals nu de damherten en de elanden; met een spanwijdte van liefst 3,5 meter. Toch stamde dit dier waarschijnlijk niet af van damhertachtige voorouders, maar van herten met "normale"geweien. Ook tegenwoordig komt namelijk bij roodwild de vorming van schoffelgeweien zo nu en dan voor.

Als naaste verwant van Dama dama, het Europese damhert, wordt het in 1957 herontdekte Mesopotamisch damhert Dama dama mesopotamica beschouwd. De twee ondersoorten verschillen in de bouw van het gewei en in schouderhoogte, maar zijn goed onderling kruisbaar. Hoewel het, iets grotere, Mesopotamisch damhert in de ijstijd zeer wijd verbreid was, telt het huidige (Perzische) bestand minder dan honderd dieren. De damherten vertonen wel grote overeenkomsten met de sika- en de axisherten; met deze laatste groep zijn ze ook onderling kruisbaar. Aan het begin der ijstijden kwamen ze echter al als aparte soorten voor.

Uit fossiele vondsten blijkt dat het Europese damhert in de perioden tussen de ijstijden zeker ook in onze streken heeft geleefd, bij de laatste ijstijd trok de soort zich echter terug en op dit moment komt het zuiver wild alleen nog voor in het oostelijk deel van het Middellandse-Zeegebied. De Phoeniciers (1150-100 v.Chr.) verspreidden het dier (als offerdier) reeds over het hele Middellandse-Zeebekken. Op Rhodos, waar een damhert in het wapen voorkomt, zou het zijn ingevoerd op advies van het orakel van Delphi ter bestrijding van slangen. Herten kunnen inderdaad met hun hoeven slangen vertrappen.

De Romeinen zorgden voor verdere verspreiding; met name tussen 150-450 n. Chr. naar Engeland, nog steeds het land met het meeste damwild. Ook in Duitsland komen nog aanzienlijke aantallen in de vrije wildbaan voor, want vanaf ongeveer 800 wordt het damhert overal als jacht- en parkwild (cerf des dames) geintroduceerd. De soort kan zich zelfs in grote stadsparken in het wild handhaven en vermeerderen.

In Nederland komen de grootste populaties wilde damherten voor op Walcheren, op de Veluwe en in de Kennemerduinen. Het damhert onderscheidt zich van de andere Europese hertesoorten doordat ook de volwassen dieren (‘s zomers) het gevlekte "jeugdkleed" behouden. De langdurige domesticatie heeft geleid tot vele kleurslagen, zo komen er zuiver witte en zwarte, maar ook donkerbruine en porceleinkleurige varianten voor. In Engeland bestaat zelfs een populatie (New Forest) met een moerbeikleurig winterkleed.
Daarnaast is er veel variatie in geweivorm. Na vier tot vijf jaar wordt het gewei schoffelvormig; de breedte van deze schoffels kan zeer uiteenlopen. Het hoogtepunt van de geweiontwikkeling ligt tussen het zesde en het twaalfde gewei. Het breedste deel ervan schuift hierbij steeds verder naar boven toe; tussen het tiende en het twaalfde jaar heeft dit bovendeel een u-vorm. Daarna begint het terugzetten.
Op grond van deze breedteverschuiving naar boven kan de leeftijd van een bok vastgesteld worden. Een probleem hierbij is echter dat de rozestokken vaak niet even sterk zijn waardoor een stang een permanente voorsprong heeft; met als gevolg dat de leeftijd te hoog wordt ingeschat. Het blijvende gebit (32 elementen) is in het tweede jaar volledig en wordt ook gebruikt voor de leeftijdsbepaling.

Damwild is groter dan reewild en kleiner dan roodwild. Het is vrij gedrongen en van achteren overbouwd, met enigszins een "hangbuik." Vooral in de nazomer vertoont het een ronde bouw, vanwege overdadige vetafzetting. Er is een sterk grootteverschil tussen de geslachten, de bok (60-70 kg.) is haast twee keer zo zwaar als de hinde. Vooral bij de spitserleeftijd is dit verschil erg opvallend. Door de lange staart lijkt het dier tijdens de vlucht op een antilope. Bij snelle gang komen de vier poten gelijktijdig los ("Bambi") van de grond; damherten verplaatsen zich dan met sprongen tot 2,5 meter. Opgejaagd kunnen ze haast twee meter hoog springen.

Reuk en gehoor zijn evengoed als die van roodwild, de gezichtszin is echter veel beter. Een damhert kan een stilstaande mens goed herkennen. Daarom springt het ook niet onmiddellijk af maar verstart binnen gezichtsafstand (maar buiten schot). Bij nadering van het gevaar wordt in eerste instantie alleen maar de afstand vergroot. Een roedel stelt zich dan op in de volgorde leidende dieren, smaldieren en hinden met kalveren. Spitsers en jonge bokken springen dan meestal af.

De roedels kunnen vrij groot zijn, van drie tot wel dertig stukken, hierbij kunnen zich ook sterke bokken bevinden. Binnen het roedel blijven familieverbanden bewaard. Bronstroedels bestaan uit sterke bokken met hinden, de andere bokken komen dan in aparte groepjes voor. Oude bokken ziet men ook wel solitair. Door de grote bewegingsdrang van damwild vertoont het veel dagaktiviteit. Hoewel redelijk plaatstrouw, worden er soms afstanden van vele tientallen kilometers overbrugd. Op die wijze verdwenen misschien tussen 1974 en 1981 in de Eiffel bijna honderd stukken alsof ze in de lucht waren opgelost?

Binnen het roedel met zijn familieverbanden bestaat er, ook in de vrije wildbaan, een zekere onverdraagzaamheid. Vroeg verweesde kalveren worden vaak niet opgenomen, die komen soms zelfs in roodwildroedels terecht! Ook ten opzichte van andere soorten kunnen er problemen ontstaan. Zo leiden reeen in een gebied met hoge damwilddichtheid een kommervol bestaan. Ook het samenleven met roodwild kan, vanwege concurrerende voedselbehoefte en belasting door wildschade (vooral schilschade) problemen geven. De bronst valt in de tweede helft van oktober. Vanaf twee jaar werpt een hinde, vaak tot op hoge leeftijd (een damhert kan tot dertig jaar oud worden), een kalf. Omdat de verliezen aan kalveren gering zijn, bedraagt de aanwas van een (evenwichtige) populatie ongeveer 70% per jaar.

Het gewei benoemd

Net als bij bijvoorbeeld het edelhert, verliest het damhert elk jaar zijn gewei (rond april/mei). Direct
daarop wordt het weer opnieuw opgebouwd. In juli/augustus is het gewei volgroeid en begint de bast,
de fluweelachtige huid om het gewei, af te sterven. Dit gaat gepaard met dusdanige jeuk dat het hert zijn
gewei schuurt aan bomen en struiken (het zogenaamde “vegen”). Het eerste jaar (de 1e kop) is het gewei
nog een spies. Vanaf het 2e jaar (2e kop) wordt het typische schoffelgewei zichtbaar.
 


 

 
   

footer zoogdieren

© copyright WorldwideBase 2005-2009