header zoogdieren


 maak van deze website uw startpagina !

WorldwideBase
Alle wwbase pagina's

 

Info zoogdieren

 

Zoogdierenpagina klik hier >>>

 

Zoogdieren, de klasse Mammalia onder de Gewervelde dieren, voornamelijk gekenmerkt door een levendbarende voortplanting, waarna de jongen nog geruime tijd met door het moederdier zelf geproduceerde melk gevoed worden. Verder worden Zoogdieren o.a. ook gedefinieerd als warmbloedige dieren, die met haar bedekt zijn en een middenrif en kernloze rode bloedlichaampjes hebben; daarnaast zijn vooral in verband met de uitgestorven vormen van belang het secundair kaakgewricht, de drie gehoorbeentjes (zie gehoororgaan) en de twee tandgeneraties (zie gebit). Zoogdieren stammen direct af van de Reptielen; zij verschillen daarvan door een aantal kenmerken.

Bouw en fysiologie

1.1 Huid en haar

Het haarkleed kan vele vormen aannemen; een sterke reductie resulteert in een vrijwel naakte huid (o.a. walvisachtigen, nijlpaarden, olifanten, zeekoeien), maar de haren kunnen ook tot stekels (o.a. mierenegels, egels en stekelvarkens) of schubben (o.a. schubdieren en gordeldieren) geworden zijn. De huid is rijk aan klieren: talg-, geur-, zweet- en melkklieren, de laatste vermoedelijk ontstaan uit talg- of zweetklieren. Geuren spelen een belangrijke rol in het leven van de Zoogdieren.

1.2 Ledematen

Bij de ledematen kunnen sterke reducties optreden: de achterpoten van walvisachtigen en zeekoeien zijn geheel verdwenen. Anderzijds kunnen de achterpoten juist zeer sterk ontwikkeld zijn, waarbij de voorpoten dan vaak in grootte afgenomen zijn (kangoeroetype). Het aantal tenen beloopt maximaal vijf; ook hier is soms sprake van opvallende reductie – bij de evenhoevigen zijn nog maximaal vier tenen aanwezig, terwijl bij de onevenhoevigen het aantal via drie tot één (paardachtigen) teruggelopen is.

1.3 Hals

Er zijn in het algemeen zeven halswervels, ook bij walvisachtigen (waar ze sterk ineengedrukt zijn) en giraffen (waar de individuele wervels zeer lang zijn); alleen de luiaards hebben er zes tot negen. De staart is meestal goed ontwikkeld.

1.4 Gebit

De mond heeft tanden in onder- en bovenkaak; het gebit is sterk gedifferentieerd als aanpassing aan het voedsel, dat een enorm scala beslaat. Er zijn twee tandgeneraties, melk- en permanent gebit; soms treedt geen tandwisseling op (blijvend melkgebit bij de buideldieren) of is deze juist vervroegd (intra-uteriene tandwisseling bij de vleermuizen). Gewoonlijk heeft het melkgebit minder elementen dan het blijvende gebit; in geval het permanente gebit sterk gereduceerd is, kan het minder elementen omvatten dan het melkgebit. Het basisgetal van de tanden is 44, dwz. per kaakhelft drie snijtanden (incisivi), één hoektand (caninus), vier valse kiezen (praemolaren, worden gewisseld) en drie ware kiezen (molaren; deze verschijnen laat en worden niet gewisseld). Vanuit dit basisgetal kan een reductie tot nul optreden (baleinwalvissen en miereneters hebben geen tanden meer) en anderzijds ook een sterke vermeerdering van het aantal elementen (tot maximaal 260 bij bepaalde tandwalvissen).

1.5 Gehoor

Een uitwendig gehoororgaan (oorschelp) komt uitsluitend bij de Zoogdieren voor; bij waterbewoners als zeehonden, zeekoeien, walvissen e.a. is de oorschelp geheel gereduceerd, bij bijv. zeeleeuwen voor een belangrijk deel. Bij bepaalde nachtdieren is het uitwendig oor daarentegen soms zeer sterk ontwikkeld (galago's, vleermuizen, fennek, enz.); de grote oren van de olifanten hebben ook als functie bij te dragen aan de temperatuurregeling van het lichaam.

1.6 Bloedsomloop

In het bloedvaatstelsel (zie bloedsomloop) is de linkeraortaboog overgebleven (bij de vogels de rechterboog); het ademhalingsstelsel omvat o.a. een strottenhoofd (larynx), dat dienst doet als stemorgaan bij de ingang van de luchtpijp (trachea). Borst- en buikholte zijn gescheiden door een spierplaat, het middenrif (diaphragma), dat o.a. bijdraagt aan de efficiëntie van de ademhaling.
Hoewel alle zoogdieren warmbloedig (homoio- of endotherm) zijn, kan de lichaamstemperatuur wel variëren, o.a. bij de winterslaap, terwijl bij de Monotremata soms nog een betrekkelijk primitieve temperatuurregeling voorkomt, die enigszins doet denken aan die van de Reptielen.

Voortplanting en ontwikkeling

De eieren van de Zoogdieren zijn naar verhouding zeer klein; de diameter varieert van 0, 05–0,25 mm (maximale lengte van het moederdier 33 m, gewicht meer dan 136!000 kg), bij de mens 0,15 mm. De Monotremata zijn eierleggend en bij de buideldieren is de draagtijd zeer kort, bijv. bij de Amerikaanse opossum ca. 13 dagen. Bij deze zoogdieren maakt het aanvankelijk nauwelijks ontwikkelde jong een tweede groeiperiode in de buidel door, naar aanleiding waarvan men wel spreekt van een tweede geboorte. Bij de placentale zoogdieren is vooral bij de grote soorten de draagtijd soms zeer lang (olifanten 22 maanden, grote walvissen 12–16 maanden); na een lange dracht wordt meestal slechts één jong geboren. Overigens varieert het aantal jongen per worp van 1–12, zelden meer (tot 24 toe). Het aantal jongen is gecorreleerd met het aantal melkklieren; de zoogperiode varieert eveneens, maar kan vooral bij grote soorten lang zijn (olifanten tot ca. 3 jaar, mensapen en mens soms tot na de volledige vorming van het melkgebit; walvisachtigen daarentegen tot hooguit 20 maanden) – het spenen gebeurt zeer geleidelijk (bij talloze herbivoren nemen de jongen al heel vroeg enig plantaardig voedsel tot zich).

Ecologie

Van alle groepen in het dierenrijk hebben de Zoogdieren zich het meest onafhankelijk gemaakt van invloeden van het milieu; dat heeft hun in staat gesteld de gehele wereld te veroveren, uiteraard samen met de vogels, die immers eveneens warmbloedig zijn. Temperatuurbarrières worden gemakkelijk overwonnen, zozeer zelfs dat in de poolstreken zoogdieren dominant kunnen zijn. Aanpassingen aan het waterleven culmineren in de walvisachtigen, die alle contact met de vaste wal verloren hebben. Als echte vliegers zijn de vleermuizen met uitzondering van de poolstreken kosmopolieten geworden; zij konden de meest afgelegen oceanische eilanden bereiken, waar andere zoogdieren niet of hooguit via de mens konden komen. De knaagdieren zijn zonder twijfel de meest succesvolle zoogdieren; iets meer dan I van alle ruim 4000 soorten bestaat uit knaagdieren. Wat betreft individuental hebben vermoedelijk enige knaagdieren (ratten, muizen) aantallen bereikt die die van de mens, zonder twijfel het talrijkste zoogdier ter wereld, evenaren.

Sinds het optreden van de mens behoren zijn medezoogdieren tot de meest vervolgde elementen in de natuur. De zoogdieren bleken van eminent belang voor het overleven van de mens. Voor bepaalde huisdieren geldt dat de domesticatie in zo'n ver verleden ligt, dat de werkelijke voorouders niet meer met zekerheid vast te stellen zijn (o.a. lama, dromedaris); andere wijken zo weinig van het oorspronkelijke type af dat zij weer zeer snel kunnen verwilderen (paarden, ezels, geiten, varkens, katten, enz.). De relatie van de mens met talrijke zoogdieren via de jacht heeft een geheel eigen karakter. Enerzijds werd de jacht beoefend om dieren te bemachtigen als voedsel en omwille van huiden, beenderen, enz., anderzijds werden de roofdieren bejaagd als potentiële bedreigers van de gemeenschap, als concurrerende predatoren en als rituele handeling. Tegenwoordig treedt de mens ook op in de plaats van verdwenen predatoren. De enige normale predator (roofvijand) van volwassen grote zoogdieren als olifanten, neushoorns, nijlpaarden, leeuwen en tijgers is immers de mens; in de ecologie van de sterk geciviliseerde landen vervangt de mens de roofdieren die niet langer getolereerd worden (wolf, bruine beer e.a.).

Bedreigd of uitgestorven

Reeds lang geleden heeft de mens vermoedelijk al zoogdiersoorten uitgeroeid; pas tegen het einde van de 19de eeuw begon dit ernstige vormen aan te nemen. Bekende zoogdieren die uitgeroeid werden, zijn o.a. Stellers zeekoe (1768), blauwbok (begin 19de eeuw), tarpan (tweede helft 19de eeuw), Falklandvos (1876), quagga (1883, laatste exemplaar in Artis) en Schomburgk's hert (jaren dertig 20ste eeuw). Door het inkrimpen van grote arealen werden soms ook ondersoorten uitgeroeid, zoals Kaapse en Barbarijse leeuw (zie leeuw), Balitijger (zie tijger) en het hartenbeest van Noord-Afrika. Door tijdig ingrijpen ter plaatse is een aantal soorten van een dreigende ondergang gered, als koala, parmawallabie (bij toeval via een in Nieuw-Zeeland uitgezette populatie die men vergeten was, zie kangoeroes), zeeotter, de meeste destijds overgeëxploiteerde zeeroofdieren, gaffelantilopen, bizon (in 1889 waren er nog slechts 541 van de miljoenen van destijds over), saïga witstaartgnoe en (zuidelijke) breedlipneushoorn (uitgangsmateriaal slechts ca. 20, zie neushoorns). Andere konden nog slechts via ingrijpen door de dierentuinen in gevangenschap gered worden, nl. Siberische tijger, wisent (in 1922 waren er nog 56 over), Arabische spiesbok, Pater-Davidshert (in 1910 nog slechts 18), przewalskipaard e.a. en vermoedelijk in de toekomst nog veel meer (orang-oetan, enz.). Sterk bedreigde zoogdiersoorten zijn buidelwolf (al uitgeroeid?), vingerdier, berggorilla, Sumatraanse en Javaanse neushoorns, kouprey, Mesopotamisch damhert, dwergzwijn e.a. Van bepaalde in het wild zeer bedreigde soorten als Indische antiloop en manenschaap zijn de populaties in dierentuinen (en elders) groter dan die in hun bakermat overgebleven zijn.

Paleontologie

De Zoogdieren zijn ontstaan uit de Reptielen, en wel uit de Therapsida of Zoogdierachtige reptielen. Deze leefden in Perm en Trias. De eerste echte Zoogdieren traden op aan het eind van het Trias, ca. 200 miljoen jaar geleden. In die tijd ontwikkelden de Reptielen zich zeer sterk: de Zoogdieren bleven gedurende de hele bloeitijd van de Reptielen klein, maximaal de grootte van een rat. Toen de grote reptielen, de Sauriërs, aan het eind van het Krijt het veld begonnen te ruimen, maakten de Zoogdieren een zeer snelle ontwikkeling door: zij bezetten snel allerlei opengevallen ecologische nissen. De reeds in het Krijt opgetreden splitsing van de placentale Zoogdieren in een aantal groepen moet daarmee verband houden.

Tandarmen

Tandarmen zijn zeer oude zoogdieren, die voorkomen in Zuid- en Midden-Amerika. Ondanks hun naam zijn er maar weinig van hen tandloos, een groot deel van hen heeft soms wel 100 tanden. Deze zijn niet bedekt met glazuur en hebben geen wortel. Trof je vroeger in Brazilië nog tandarmen aan die zo groot waren als een neushoorn, tegenwoordig treft men enkel nog exemplaren aan die zo groot zijn als een wolf. Tandarmen worden ook wel bijgewrichters genoemd omdat ze extra gewrichten hebben tussen de borst- en lendenwervels. De vorm van het bekken is ook bijzonder. Alle normaal gesproken afzonderlijke beenderen zijn met elkaar en met de voorste staartwervels en het heiligbeen vergroeid. Tot de tandarmen behoren de miereneter, het gordeldier en de luiaard.

Zoogdieren

De meest bekende klasse van het dierenrijk is wel die van de zoogdieren. Dit is niet in de laatste plaats zo omdat de mens daar zelf ook toe behoort. Veel zoogdieren leven direct in onze nabijheid. Enkele van hen houden wij als werkdier (paard) of als beschermer (hond), andere vormen een bron van hoogwaardig voedsel (kip, rund). Alle zoogdieren hebben een gesloten bloedsomloop met een groot vermogen en een hart met twee kamers en twee boezems. Ze ademen via longen en beschikken over een vertakt zenuwstelsel. De schedel, die van de wervelkolom gescheiden is, bestaat uit verschillende stukken gebeente. Zoogdieren hebben altijd zeven halswervels. Deze verschillen per dier van grootte, bij enkele dieren zijn ze gedeeltelijk met elkaar versmolten. Bij vogels daarentegen neemt het aantal wervels toe als de lengte van de hals toeneemt. De hoogontwikkelde zoogdieren hebben goed functionerende zintuigen en hersenen met een groot vermogen. Daardoor en door hun warmbloedigheid die ze relatief onafhankelijk van grote temperatuurverschillen maakt, hebben zoogdieren goede overlevingskansen. De lichaamsbedekking van de meeste zoogdieren bestaat uit haar of (haar)borstels. Enkele soorten zijn bijvoorbeeld bedekt met schubben of stekels.

Zoogdieren planten zich voort doordat het vrouwtje door het mannetje bevrucht wordt. De vrouwtjes baren levende jongen die zich eerst in het lichaam van de moeder ontwikkelen. Later worden ze met moedermelk gevoed die ze uit melkklieren of tepels zuigen. Een uitzondering hierop vormen de buideldieren. Hun jongen worden geboren terwijl ze nog niet volledig ontwikkeld zijn. De jongen voltooien dan hun ontwikkeling in de buidel van de moeder. Nog een uitzondering wordt gevormd door de cloacadieren, de zogenaamde eierleggende zoogdieren. Ze leggen eieren maar de jongen worden na hun geboorte, net zoals andere zoogdieren, gezoogd.

De ontwikkeling van de zoogdieren begon ongeveer 220 miljoen jaar geleden in het Trias. Eerst speelden ze een ondergeschikte rol. In die tijd speelden de reptielen een dominante rol. In deze perioden hadden vooral de dinosauriërs het voor het zeggen op aarde. Eenvoudige soorten die van reptielen afstammen zijn de al genoemde eierleggende zoogdieren, zoals vogelbekdieren of mierenegels. Andere vroege zoogdieren waren de woel- of spitsmuisachtige dieren die kleine dieren en planten aten.

Met het uitsterven van de dinosauriërs 65 miljoen jaar geleden veranderde het aanzien van de aarde. Er ontwikkelden zich een groot aantal soorten zoogdieren. Ongeveer 15 miljoen jaar geleden bereikte deze ontwikkeling zijn hoogtepunt. Toen in de daaropvolgende jaren de klimatologische omstandigheden verslechterden en vele tropische regenwouden verdwenen, verdwenen er ook veel diersoorten. Tijdens de ijstijden in het Pleistoceen 2 miljoen jaar geleden ontwikkelden zich nieuwe, vaak grote zoogdieren zoals de mammoet, het reuzenhert en de wolharige neushoorn. Deze zijn tijdens de afgelopen 12.000 jaar volledig uitgestorven. Afhankelijk van het gebied waarin ze voorkwamen, ontwikkelden de zoogdieren zich verder. Om zich snel te kunnen voortbewegen op de savanne of op de prairie ontwikkelden ze lange, slanke poten. Om in bomen te kunnen klimmen, ontwikkelden ze lange ledematen met lange vingers waarmee ze zich konden vasthouden. Om de verschillende voedselbronnen in de verschillende gebieden te kunnen benutten, moesten ook de gebitten zich verschillend ontwikkelen. Elk zoogdier krijgt eerst een melkgebit dat later door het echte gebit vervangen wordt. Dit gebit bestaat meestal uit snijtanden, hoektanden, valse kiezen en ware kiezen.

Eierleggende zoogdieren

De eierleggende zoogdieren of cloaca’s zijn de enige zoogdieren op aarde die eieren leggen. Tot deze orde behoort alleen de familie van de vogelbekdieren en die van de mierenegels. Het vogelbekdier heeft net als zoogdieren een vacht, de mierenegel heeft een stekelkleed. Verder zijn er wel degelijk belangrijke verschillen met de hogere zoogdieren. In plaats van een bek hebben eierleggende zoogdieren een snavel die doet denken aan die van zwemvogels. De geslachtsorganen en de urineorganen monden, net als bij vogels en reptielen, in de zogenaamde cloaca uit. De lichaamstemperatuur van eierleggende zoogdieren is lager dan die van de overige zoogdieren. Ze is afhankelijk van de buitentemperatuur. Eierleggende zoogdieren leven in Australië en op enkele nabijgelegen eilanden. De vogelbekdieren voeden zich met insecten en kreeften die ze in het rivierslik vinden. Mierenegels eten mieren en termieten.

 
   

footer zoogdieren

© copyright WorldwideBase 2005-2009