header zoogdieren


 maak van deze website uw startpagina !

WorldwideBase
Alle wwbase pagina's

 

Konijnen

 

Zoogdierenpagina klik hier >>>

 
konijn [dierkunde], de soort Oryctolagus cuniculus uit de familie Hazen. Het dier wordt in geheel West-, Midden- en Zuid-Europa aangetroffen op vrijwel elk terrein waarin holen kunnen worden gegraven. Het heeft zich van het Middellandse-Zeegebied uit verspreid en is in de middeleeuwen in Nederland en België ingevoerd. Het konijn was tot 1954 in Nederland zeer talrijk in zandstreken, bossen en duinen; de virusziekte myxomatose of myxomatose is er de oorzaak van dat het dier op vele plaatsen geheel of grotendeels is verdwenen. Ook in België werd het wilde konijn omstreeks 1954 door de myxomatose vrijwel uitgeroeid. Hiertegen resistente exemplaren zijn echter in de laatste jaren weer sterk in aantal toegenomen. Het wilde konijn is 34–50 cm lang, met een staart van 4,5–7,5 cm. De rug is bruinachtig geelgrijs, de buikzijde wit; de ondervacht is blauwachtig grijs.

Konijnen leven in een zeer complex sociaal systeem in holen ( ‘wrang’) die bestaan uit een woonruimte ( ‘ketel’), waarop gebogen gangen ( ‘pijpen’) uitkomen. Het dier is zeer honkvast; het komt pas tegen de avond te voorschijn om zich te voeden met bladachtige plantendelen. Door vraat en graven kan het dier, vooral in de duinen, veel schade toebrengen aan het plantendek. De rammeltijd is febr.–aug. Jaarlijks zijn er 3–5 worpen van 4–10 jongen ( ‘lampreien’), die na een draagtijd van 28 dagen in een aparte gang ( ‘wentel’) blind en kaal ter wereld komen; na tien dagen kunnen zij zien. Het geboortegewicht is 30 tot 35 g. De levensduur is 4–8 jaar. Konijnen hebben in onze streken talloze roofvijanden, die echter niet altijd de expansie in toom kunnen houden. Het dier kan dan zeer schadelijk voor de land- en tuinbouw worden. De afstammelingen van enkele in 1859 in Australië als jachtdieren geïmporteerde konijnen hebben zich daar tot een ware plaag ontwikkeld.

De vacht van het wilde konijn is bruin grijs van kleur. En de flanken en poten zijn meer grijs van kleur. De vacht bestaat uit drie lagen. Een dikke wollige ondervacht. Een bovenvacht van lange, stevige haren. En lange haren die verspreid zitten over het konijn. 's Winters is de vacht lichter van kleur. Het konijn is met staart 40-55cm lang. De achterpoten zijn langer dan de voorpoten. Ze kunnen er geen lange afstanden mee afleggen maar wel heel snel mee rennen, bijna 40 km per uur. Het zijn nachtdieren, dat betekent dat ze in de schemering uit hun hol komen. In geval van nood springt hij heel raar weg. Een hol of burcht wordt door één familie van maximaal 10 leden bewoond.

Konijnen zijn knaagdieren, maar omdat ze twee kiezen extra hebben worden ze ook dubbeltandig genoemd. Konijnen eten het liefst gras, bladeren en een mengsel van kruiden. In de maag worden de belangrijkste voedingstoffen er niet meteen uitgehaald. Het voedsel wordt weer uitgepoept. Het zijn nog geen echte keutels. Het zijn in slijm verpakte propjes. Ze produceren overdag zachte uitwerpselen, bestaande uit de inhoud van de blindedarm, die worden opgegeten en het spijsverteringsstelsel nogmaals passeren. 's Nachts worden de bekende droge keutels geproduceerd. 

Konijnen leven voornamelijk op grasland en open bosachtig gebied zoals de duinen. Ze leven in holen onder de grond. Een hol bestaat uit veel gangen. Je hebt twee soorten gangen: de hoofdgang en de vluchtgang. De hoofdgang is breder dan de vluchtgang. In de hoofdgang kunnen twee konijnen elkaar passeren, en in de vluchtgang niet. De vluchtgang ligt vaak onder bladeren verstopt. Ze hebben een aparte woonruimte die 'ketel' heet. De sterkste ram pikt de beste plek in. De jongen worden in een aparte kraamkamer geboren, deze kraamkamer heet 'wentel'. Deze ligt ver bij de ketel vandaan omdat de rammen de jongen misschien opeten. De voedster trekt haar van haar buik en kin en bedekt de kraamkamer ermee. De jongen krijgen twee keer per dag drinken van de voedster. Als ze weggaat bedekt ze de ingang met droog gras.

De voedster krijgt veel jongen ongeveer 5 of meer. De jongen hebben al een vacht, tanden, en de oogjes zijn ook al open. De kleintjes zijn een lekker hapje voor roofvogels. Ze vatten snel een ziekte en misschien blijft er maar 1 van allemaal leven. De vrouwtjes krijgen 2 tot 5x jongen per jaar. Hazen maken geen hol maar een leger onder een struik. Het is heel erg ondiep maar als ze platliggen zie je ze niet gauw. De kleintjes houden zich heel stil. De jongen krijgen 1x per dag drinken. Binnen 2 of 3 dagen lopen ze al buiten rond. Ze zijn op tijd terug als de moeder komt. Na een maand krijgen ze geen moedermelk meer. Ze moeten zelf voedsel zoeken. Na 1 jaar zijn ze volwassen.

Pas geboren konijntjes hebben nog geen vacht. Hebben hun ogen dicht en horen niks. De melk van moeder krijgen ze 6 weken. Dat noemen we zogen. Als ze 4 dagen oud zijn hebben ze nog steeds hun ogen dicht maar hebben een dun vachtje. Na 8 weken gaan ze weg bij de moeder, en moeten het leven zelf leiden

 
   

footer zoogdieren

© copyright WorldwideBase 2005-2009