header zoogdieren


 maak van deze website uw startpagina !

WorldwideBase
Alle wwbase pagina's

 

Tweevingerige luiaard

 

Zoogdierenpagina klik hier >>>

 

Luiaards, de familie Bradypodidae van de zoogdierorde der Tandarmen. Deze gespecialiseerde boombewoners zijn in hun verspreiding beperkt tot de bossen van tropisch Midden- en Zuid-Amerika. Luiaards leven ondersteboven hangend aan hun haakvormige vinger- en teenklauwen aan de takken in de bomen.

Deze leefwijze heeft een aantal speciale aanpassingen meegebracht als de naar de rug gerichte groei van het haar in verband met afdruipend water, vrijwel aaneengegroeide, in aantal gereduceerde vingers en tenen met lange, haakvormige nagels, de mogelijkheid de kop tot ca. 180° te draaien, reductie van de staart (6–7 cm lang of soms nog korter), draaiing van een aantal organen in de buikholte, enz. De prijs die de luiaards voor deze aanpassingen hebben moeten betalen, is o.a. dat zij nauwelijks kunnen lopen (hooguit kruipen, hoewel de dieren wel redelijk kunnen zwemmen). In de bomen bewegen de dieren zich langzaam voort (vandaar de naam); zij worden immers geboren temidden van hun voedsel, dat voor een belangrijk deel uit boomblad (en twijgen en vruchten) bestaat.

Hun grootste vijanden zijn de grote roofvogels, o.a. de harpij. In het continu vochtige tropisch regenwoud groeien algen in de pels, die dan eveneens motten, kevers en mijten herbergt – de groenige kleur van de algen gepaard aan de langzame voortbeweging resulteert in een uitstekende camouflage. Als in de pels geen algen, enz. (meer) leven (zoals in onze dierentuinen), vertoont deze nuances van grijs en bruin, een enkele maal met een streep of een kopaftekening. De kop is rond met een afgeplat gezicht en kleine oren, de nek is zeer beweeglijk. Het gebit is gereduceerd en de maag is zeer complex; de spijsvertering is een langdurig proces. Het lichaam is 50–65 cm lang en de dieren wegen 4–9 kg. Per keer wordt één jong geboren (draagtijd 6 maanden; bij één soort bij uitzondering 11, 5 maanden); de maximaal bereikte leeftijd is ca. 30 jaar.

Men onderscheidt twee geslachten met totaal vijf soorten: de tweevingerige luiaards (Choloepus) en de drievingerige luiaards (Bradypus). De tweevingerige luiaards hebben twee vingers aan de handen en drie tenen aan de voeten; bovendien hebben zij zes of zeven nekwervels. De drievingerige of drietenige luiaards hebben drie elementen aan voor- en achterpoten; alle soorten hebben negen nekwervels (zeven is normaal voor de meeste zoogdieren). Bij de tweevingerige luiaards onderscheidt men Hoffmanns luiaard (Choloepus hoffmanni, met zes nekwervels, van Ecuador tot Costa Rica) en de gewone tweevingerige luiaard of oenau (unau) (Ch. didactylus, met zeven nekwervels, van noordelijk Zuid-Amerika inclusief Suriname).Hij wordt ongeveer 65 cm lang. Het haar op zijn lichaam is olijfgrijs, op de rug is hij donkerder van kleur en op de kop, in de nek en in het gezicht is hij iets groenachtiger. Deze laatste soort laat zich goed in dierentuinen houden en plant zich daar ook voort. De drievingerige luiaards zijn voedselspecialisten en eten bij voorkeur het blad van Cecropia (Moerbeifamilie), waardoor de dieren in dierentuinen nauwelijks te houden zijn. Deze luiaards zijn verbreid van noordelijk Argentinië tot Honduras; van de drie soorten komt de bekendste, de drievingerige of drieteenluiaard, naar de roep ook aai of ai genoemd (Bradypus tridactylus), eveneens in Suriname voor. De drievingerige luiaard, de "aï", komt voor in Brazilië en hij wordt 60 cm lang. Zijn vacht is roodachtig grijs, op de buik is hij zilvergrijs.

De haren van de dichte, ruwe vacht lopen, in tegenstelling tot die van andere zoogdieren niet in de richting van de rug naar de buik maar van de buik naar de rug. Hierdoor loopt de regen van hun vacht.

Luiaards werpen maar één jong. Dit jong komt goed ontwikkeld ter wereld. Het heeft al een dichte vacht en krachtige klauwen en tenen. Daarmee gaat hij gelijk aan de hals van zijn moeder hangen die hem dan overal mee naar toe sleept.

n de schemering worden de luiaards levendig. Dan schuiven ze gemoedelijk van tak tot tak en voeden ze zich met jonge loten en vruchten. Ze krijgen water binnen door de dauw van de bladeren te likken.

► Ze doen hun naam werkelijk eer aan, want ze verslapen het grootste deel van de dag. Daarbij hangen deze vreemd uitziende schepsels gewoonlijk met de rug naar beneden. Ze plaatsen hun vier ledematen dicht bij elkaar, ze krommen hun lichaam en ze duwen hun kop tegen de borst. Met hun lange armen en grote klauwen kunnen ze zich moeiteloos vasthouden aan de takken.

 
   

footer zoogdieren

© copyright WorldwideBase 2005-2009