header zoogdieren


 maak van deze website uw startpagina !

WorldwideBase
Alle wwbase pagina's

 

De Mollen

 

Zoogdierenpagina klik hier >>>

 

Mollen, de gespecialiseerde familie Talpidae van de Insecteneters, gekenmerkt o.a. door het gebit en de tot stevige schopvormige graafpoten vervormde voorpoten, met krachtige nagels en verbreed door de aanwezigheid van een sikkelbeentje (een door vastgroeiing van een sesambeentje vergroot handwortelbeentje). Het sleutelbeen is door een gewricht verbonden met de bovenarm. Het borstbeen draagt een kam. Het lichaam is rolrond, vrijwel zonder nek, de snuit lang en kegelvormig, gesteund door een voorneusbeentje. De ogen zijn klein, vaak bedekt door de huid, de oorschelpen weinig of niet ontwikkeld. De vacht is meestal fluwelig en levert een zacht en soepel maar niet sterk bont (mol). Mollen leven als regel ondergronds, in Europa, in Azi ten noorden en oosten van de Himalaja en in Noord-Amerika.

Overal, waar de mol een vochtige en losse bodem aantreft, zoals in akkers, weiden en tuinen, legt hij dicht onder de oppervlakte een groot aantal gangen aan. Deze gangen zijn aan de oppervlakte goed te zien. De mol kruipt meerdere malen per dag door zijn gangenstelsel omdat ze in de gangen hun voedsel zoeken. Zijn eigenlijke woning, een vrij grote ruimte, ligt onder een grotere hoop aarde. Deze is bekleed met gras, bladeren of mos. De ruimte ligt niet in de buurt van de jachtgangen. De behuizing is verbonden met vaste gangen.

De mol is wat lichaamsbouw betreft uitstekend aangepast aan het leven onder de grond. De gedrongen, cilindervormige romp (in totaal 15 cm lang) gaat zonder een herkenbaar halsgedeelte over in een kleine kop. Ze hebben een spitse snuit. Ogen en oren zijn nauwelijks te zien omdat ze diep in de huid liggen. De mol heeft spitse tanden, een kenmerk van insecteneters. De vacht van de mol is zacht en fluwelig. Daardoor blijven er geen gronddeeltjes en water op de vacht liggen. De haren hebben geen vaste strijkrichting, hierdoor kan het dier zich moeiteloos voor- en achteruit bewegen. Het lichaam rust op vier poten. De voorste poten worden gebruikt om te graven. Het voedsel van een mol bestaat overwegend uit regenwormen, insecten en insectenlarven die hij onder de grond vindt. Met zijn uitstekende reukzin spoort hij deze dieren met gemak op. 's Nachts komt hij soms boven, om daar slakken en ander kleine dieren buit te verorberen. Muizen vormen een welkome afwisseling.

Boven- en onderarm zijn maar heel kort. Ze verdwijnen volledig in het lichaam, alleen de handen steken onder de vacht uit. Ze staan loodrecht op de zijkant van het lichaam. De brede "handpalmen" zijn daarbij naar achteren gericht. De korte vingers, die door vliezen met elkaar vergroeid zijn, hebben scherpe, grote klauwen. De achterste ledematen zijn slechts zwak ontwikkeld. Ze worden niet gebruikt voor graafwerkzaamheden. De mol gebruikt ook zijn kop en zijn kraakbenige snuit als hij in de aarde aan het wroeten is. De bek en de gehoorgangen worden afgesloten door een huidplooi. Als de bodem te vast is trekt de mol zijn kop ver terug. De handen bevinden zich dan voor de kop en hij kan ze gebruiken om de grond los te maken. Als er zich teveel losse aarde opgehoopt heeft, duwt de mol dit met de kop naar boven. Hierdoor ontstaan de molshopen. Afhankelijk van de stevigheid van de bodem kan de mol 5 tot 10 meter per uur afleggen.

Al dat gegraaf kost veel energie en de mol heeft dan ook veel voedsel nodig. Hij werkt dagelijks een hoeveelheid voedsel naar binnen die gelijk is aan zijn lichaamsgewicht. Soms eet hij zelfs twee- of driemaal zoveel. De mol graaft in de nabijheid van zijn hol schachten die zich met regenwater kunnen vullen. Hierdoor beschikt hij ook over water. Elke mol heeft een eigen territorium. Wanneer een ander dier zich in zijn gangenstelsel waagt zal hij de strijd aanbinden met de indringer. Het gevecht duurt net zolang totdat er n overlevende overblijft. Die eet dan zijn slachtoffer op. Aan het begin van de winter trekt de mol zich terug in diepere lagen van de aarde die nog vorstvrij zijn. Voor de wintertijd legt hij een voorraad wormen aan, hij verlamt de wormen door ze in de zenuwstreng te bijten.

De mol heeft naast de mens nog talloze andere vijanden. Hiertoe behoren onder andere de bunzing, de valk, de buizerd, de uil, en de ooievaar.De mol is voor de mens ook een nuttig dier, hij eet muizen en insectenlarven en houdt op deze wijze hun aantal binnen de perken.

 
   

footer zoogdieren

copyright WorldwideBase 2005-2009