header zoogdieren


 maak van deze website uw startpagina !

WorldwideBase
Alle wwbase pagina's

 

Orang-oetan

 

Zoogdierenpagina klik hier >>>

 

Orang-oetan (Maleis, = bosmens, lokaal echter bekend als: mawas, maias of mias), de soort Pongo pygmaeus, de enige vertegenwoordiger van de familie Mensapen in Azië. Het dier is een vrij grote mensaap (gewicht wilde mannetjes 50–90 kg, wijfjes 30–50 kg, lengte kop plus lichaam 75–100 cm; dierentuinexemplaren zijn meestal zwaarder), die bedekt is met lang rood haar, vooral op de schouders. Het gezicht is ovaal of rond en enigszins concaaf met een hoog voorhoofd, weinig ontwikkelde wenkbrauwbogen, kleine onbehaarde oorschelpen en grote neusgaten; de lippen zijn zeer beweeglijk. De onbehaarde keelzak is vooral bij het mannetje sterk ontwikkeld; bij deze wordt de keelzak als geluidsversterker gebruikt. Behalve in grootte, gewicht en keelzak verschillen de geslachten in het gezicht; volwassen mannetjes ontwikkelen zeer opvallende wangkwabben. De orang-oetan is de enige onder de mensapen met zo’n uitgesproken seksuele dimorfie.

Orang-oetans bewonen de wouden van Noord-Sumatera en Borneo, soms tot op 2000 m hoogte, waar zij zich langzaam door de bomen voortbewegen en zich vnl. met vruchten voeden. De dieren leven in principe solitair in een zeer los sociaal verband. Orang-oetans zijn de minst sociale en tegelijkertijd de meest uitgesproken boombewoners onder de mensapen. De voortbeweging in het geboomte geschiedt in hoofdzaak met behulp van de naar verhouding zeer lange armen (brachiatie); 's avonds worden in de bomen platte slaapnesten van bebladerde takken gebouwd. Na een draagtijd van ca. 8 maanden wordt één jong geboren, dat jarenlang afhankelijk van de moeder blijft. Orang-oetans van Sumatera en Borneo zijn uiterlijk vrij goed van elkaar te onderscheiden en worden daarom als ondersoorten beschouwd. Door jacht, vangst en bosvernietiging is het bestand in het wild (vooral op Sumatera) zeer teruggelopen; men tracht in beslag genomen dieren weer in de natuur terug te brengen op verschillende plaatsen op Sumatera en Borneo, wat niet altijd met succes bekroond is. Sluikhandel en stroperij zijn recentelijk enigszins in betekenis afgenomen. De grootste bedreiging blijft echter de voortdurende kaalslag van het bos; ook selectief kappen maakt het milieu ongeschikt voor deze vruchtenetende mensaap.

In dierentuinen zijn orang-oetans goed te houden; de dieren planten zich vlot voort. De tendens dieren van Sumatera en Borneo gescheiden te fokken, verzekert de raszuiverheid; leeftijden van zestig jaar worden bereikt. In Indonesië is de orang-oetan volledig beschermd. In een aantal reservaten is de stand niet onbevredigend te noemen; het weinig toegankelijke terrein maakt bestandsopnamen evenwel moeilijk en inaccuraat. Volwassen orang-oetans hebben in de bomen nauwelijks natuurlijke vijanden; tijger, panter en nevelpanter kunnen enkele individuen slaan; de mens, die ook het vlees eet, blijft echter de hoofdvijand.

Het is de op één na grootste soort van de opperdieren (primaten). In tegenstelling tot de gorilla's die op de grond leven, zijn orang-oetans bijna altijd in de kruinen van de bomen te vinden.

De mannelijke orang-oetan wordt 1,75 meter lang en weegt 75 kilo. Qua gestalte lijkt hij op een mens. Zijn romp wordt niet zoals bij andere zoogdieren aan de zijkant in elkaar gedrukt. Net zoals de mens heeft hij brede schouders.

De jonge dieren lijken het meest op de mens. Later gaat het voorhoofd meer naar achteren en krijgt de mond meer de vorm van een snuit. Boven de ogen ontstaan dikke huidplooien. Een mannetjeheeft aan de zijkant van het gezicht brede lappen huid, de zogenaamde wangplooien. De bouw van het gebit lijkt op dat van de mens, maar zijn tanden zijn veel sterker. Het dier kan er vruchten met harde schalen mee kraken en ook krachtig toebijten. De vacht is roodachtig-bruin en lang en ruig. Het gezicht is, afgezien van de baard van het mannetje, onbehaard.

De orang-oetan komt zelden op de grond omdat hij in de bomen zijn voedsel kan vinden. Hij eet bladeren, vruchten en loten. Water drinkt hij uit gaten in de takken en in de boom. Deze worden praktisch iedere dag met neerslag gevuld. De voeten en de handen zijn goede grijpwerktuigen. De tenen en de vingers zijn lang en kunnen zich onafhankelijk bewegen. De grote teen is, net als de duim, opponeerbaar. Wanneer de orang-oetan klimt gebruikt hij vooral zijn armen. Hij heeft een spanwijdte van meer dan twee meter en kan zonder problemen van tak tot tak slingeren.

Op de grond is het dier veel onbeholpener omdat zijn benen zwakker ontwikkeld zijn. Hij loopt onzeker omdat de poten enigszins naar binnen gebogen zijn. Hij gebruikt zijn armen ter ondersteuning. Als hij snel wil lopen plaatst hij zijn armen op de grond en slingert hij zijn lichaam en opgetrokken benen daar tussen de armen door.

Orang-oetans leven alleen of in paren met de jongen. 's Nachts slapen ze in de bomen. Soms dekken ze zich zelfs toe met planten. Waarschijnlijk zoeken ze elke nacht een andere slaapplaats. Met een dreunend gebrul maken ze aan anderen duidelijk wat hun territorium is. De vrouwtjes, die veel kleiner zijn dan de mannetjes, brengen om de twee jaar een jong ter wereld. De draagtijd is bijna negen maanden. Ze verzorgen en beschermen het jong gedurende meerdere jaren. In gevangenschap heeft men zelfs waargenomen dat een jong zes jaar werd gezoogd.

Orang-oetans worden met uitsterven bedreigd. Doordat ze maar kleine aantallen nakomelingen voortbrengen en doordat de mens jacht op hen heeft gemaakt is hun aantal sterk afgenomen. Strenge beschermende maatregelen moeten deze dieren tegen uitsterven beschermen.

 
   

footer zoogdieren

© copyright WorldwideBase 2005-2009