header zoogdieren


 maak van deze website uw startpagina !

WorldwideBase
Alle wwbase pagina's

 

Het paard

 

Zoogdierenpagina klik hier >>>

 

Ons huisdier het paard stamt van de wilde paarden af die vroeger in kudden op de steppen leefden. Het paard werd al vroeg als werkdier gebruikt. Pas in de Middeleeuwen werd het paard belangrijk als rijdier.

Het paard heeft, net als de hond, een nauwe band met de mens. Hij gehoorzaamt de stem van zijn baas en reageert op een duwtje met het been. Een paard kan ook afkeuring en waardering onderscheiden. Na vele jaren herkent het paard zijn meester terug.

Het paard heeft een slanke lichaamsbouw en hoge benen. Het langgerekte hoofd heeft brede neusgaten, grote ogen, zeer beweeglijke lippen en oorschelpen, die in een punt uitlopen. Bij het minste of geringste geluid gaan hun oren recht op staan en bewegen ze zich heen en weer.

De lange hals heeft manen, de korte staart heeft aan het uiteinde lange haren die een soort pluim vormen. Hiermee verdrijft het paard lastige vliegen. Men onderscheidt op basis van de kleur bruine en zwarte paarden, vossen, schimmels en appelschimmels.

De bouw van de benen lijkt op die van het rund, maar het paard loopt op de spits van één zeer krachtige teen. Deze teen is omgeven door een sterke hoef. De andere tenen ontbreken of zijn sterk geatrofieerd.

Het paard is dus net als het rund een hoefdier en een teenspitsenganger. Het paard is echter een onevenhoevige.

Net als zijn voorouders, die op de vlucht sloegen voor grote roofdieren, is ook het tamme paard nogal schrikachtig. Dat kun je zien aan de onrustige bewegingen van de oren en de staart. Wanneer men het paard uitdaagt kan het zelfs zeer pijnlijk bijten of met de achterpoten slaan. Wanneer er iets ongewoons gebeurt kan het paard zo schrikken dat het op hol slaat.

Het paard kent drie gangen: stapvoets, draf en galop. Het verschil tussen stapvoets en draf is de afstand tussen de stappen. Wanneer het paard stapvoets gaat en waneer hij draaft zet het dier de benen kruislings neer. De galop bestaat snel opeenvolgende sprongen.

In tegenstelling tot de meeste andere dieren slaapt een paard vooral staand. Daarbij laat hij zijn gewicht steeds op drie verschillende benen rusten, zodat steeds één been kan rusten.

Het voedsel van een paard bestaat uit plantaardige kost. Het paard eet haver, hooi en gras. Daarnaast eet hij ook bieten, wortels en dergelijke. Het hooi wordt met de lippen de mond in getrokken, gras wordt met de snijtanden (in de boven- en onderkaak) afgesneden. Het paard is geen herkauwer, daarom kauwt hij zijn voedsel zeer grondig en zeer langzaam fijn. Behalve een maag, heeft het paard ook een blinde darm waarin een groot deel van de vertering plaats vindt.

Éénmaal per jaar brengt het vrouwelijke paard, de merrie, een veulen ter wereld. Het veulen kan meteen na de geboorte staan en de moeder naar de wei vergezellen. Natuurlijk wordt het veulen de eerstkomende tijd gezoogd.

Paarden kunnen maximaal 40 jaar oud worden.

Evolutie van het paard

De evolutie van het paard is goed gedocumenteerd. Uit fossielen blijken duidelijk de veranderingen in de ontwikkeling van een klein, viertenig, grazend dier - uit dezelfde lijn die naast paarden ook tapirs, neushoorns en nog andere zoogdieren heeft voortgebracht - tot het paard zoals wij dat tegenwoordig kennen: een groot grazend dier met een verlengd centraal 'vingerkootje' en een sterk vergrote middelste teen. De hondachtige Hynacotherium (Eohippus) van 60 miljoen jaar geleden had kiezen met kleine kauwvlakken om op de sappige bladeren uit hun bosrijke omgeving te kunnen kauwen. Naarmate tijdens het Mioceen (25 miljoen jaar geleden) de hoeveelheid grasland toenam, overleefden alleen de afstammelingen waarvan de tanden zich hadden aangepast aan het vermalen van harder voedsel. Vanwege het droger wordende klimaat werd de grond harder en de middelste teen van Merychippus, aangegroeid om zijn grotere gewicht te kunnen dragen, werd bij Pliohippus de enige teen. Paarden ontwikkelden robuuste benen zodat ze al galopperend aan roofdieren konden ontsnappen.

Het paard, dat tot de onevenhoevigen behoort, bestond in zijn oervorm al 50 miljoen jaar geleden. In die tijd had het dier echter slechts de grootte van een haas. Het paard had ook nog geen hoeven, maar meerdere tenen, die hij wijd uit elkaar kon spreiden. Zo kon hij zich in het toenmalige vochtige klimaat moeiteloos op de sompige bodem voortbewegen, zonder dat hij er in weg zakte. Met het veranderen van het klimaat ontstonden er droge gebieden. In deze periode stierven vele paardensoorten uit. Andere overleefden en ontwikkelden zich verder tot snelle dieren van de steppe. Hier behoren naast onze verschillende paardenrassen ook de muildieren, ezels, muilezels en zebra's toe.

Ongeveer 10.000 jaar geleden breidden zich de wilde oerpaarden, die oorspronkelijk in Noord-Amerika waren ontstaan, uit over geheel Amerika, Azië, Europa en Noord-Afrika. Er ontwikkelden zich verschillende typen die zich aan de omstandigheden van hun leefgebied aanpasten. Later werden vele van hen tot tamme paarden gemaakt. Na de 8e eeuw stierven de wilde paarden in Europa geleidelijk uit. Het kleine Mongoolse wilde paard leeft nog op de steppen van Midden-Azië.

Het paard, zoals wij dat tegenwoordig kennen, heeft een slanke lichaamsbouw en lange benen. Het langgerekte hoofd heeft grote ogen, wijde neusgaten en zeer beweeglijke lippen. De spitse oren richten zich bij het minste of geringste geluid op en kunnen heen-en weer bewogen worden. Aan zijn hals heeft een paard manen, de korte staart eindigt in een pluim, die uit lange haren bestaat en door het paard gebruikt wordt om paardenvliegen of vliegen te verjagen. Afhankelijk van de kleur van het korte zachte haarkleed, onderscheidt men bruine en zwarte paarden, vossen, schimmels en appelschimmels.

Voor de mens is het paard gedurende vele eeuwen, toen er nog geen treinen of auto's waren, van levensbelang geweest. Met paarden kon men grote afstanden afleggen. Ze werden gebruikt om personen en om goederen te vervoeren. Ook is het paard eeuwenlang een grote hulp geweest bij het bewerken van de akkers. Het paard kent drie soorten gangen: galop, draf, stapvoets.

Het voedsel van een paard is zuiver plantaardig. Het paard graast in de wei en laat zich in de stal onder andere haver en hooi voorschotelen. Hij eet langzaam en kauwt het voedsel heel fijn met zijn kiezen. Het is geen herkauwer zoals bijvoorbeeld het rund. Het mannelijke paard wordt hengst genoemd, het vrouwelijke paard merrie. De merrie brengt eenmaal per jaar een jong ter wereld, het veulen. Het wordt maandenlang gezoogd en kan al vanaf het begin mee de weide in. Een paard is op twee of drie jarige leeftijd volwassen. Over het geheel genomen hebben paarden een levensverwachting van bijna 40 jaar. Afhankelijk van het temperament worden paarden ingedeeld in volbloeden, warmbloedige en koudbloedige paarden. Kleinere paardenrassen noemt men pony's.

 

Paarden pagina - klik hier

 

footer zoogdieren

© copyright WorldwideBase 2005-2009