header zoogdieren


 maak van deze website uw startpagina !

WorldwideBase
Alle wwbase pagina's

 

Het Huisschaap

 

Zoogdierenpagina klik hier >>>

 

schaap, algemene naam voor het geslacht Ovis van de Geitachtigen en in engere zin de soort Ovis ammon daaruit.

Schaap is ook de naam voor de gedomesticeerde, als vee gehouden schapen, tezamen aangeduid als huisschaap (Ovis aries). Het geslacht Ovis onderscheidt zich van de geiten (geslacht Capra) door het bezit van preorbitale en inguinale klieren (vooroog- en liesklieren), voetklieren in alle poten en de afwezigheid van knieleelt, van een sterke lichaamsgeur en van een baard in het mannelijk geslacht. Schapen zijn krachtig gebouwde herkauwers, waarvan de mannetjes (rammen) schroefvormig gewonden, geringde horens dragen; de vrouwtjes (ooien) hebben kleine of geen horens. De neus is bol (ramsneus), neusspiegel en bovenlip zijn gespleten. Het lichaam is bedekt met een kort, in de winter wollig, haarkleed, meestal bruin of bruingrijs van kleur; het wolvlies van het huisschaap komt bij de wilde vormen niet voor. Wilde schapen bewonen in kleine kudden verschillende typen van bergland, vaak tot op grote hoogten, in principe zelfs tot de vegetatiegrens (tegen de 6000 m); in tegenstelling tot de geiten zoeken zij echter niet de steilste gedeelten op, behalve de Amerikaanse vormen, die niet in hetzelfde gebied als geiten voorkomen. Schapen onderscheiden zich van geiten door hun platte voorhoofd en de hoekige, slakvormig gedraaide horens. Verder hebben ze ook geen sik. Wilde schapen leven in de bergen van het noordelijk halfrond, waarbij elk gebied zijn eigen soorten heeft. Oorspronkelijk afkomstig uit AziŽ, komen ze nu voor in Zuid-Europa, Afrika en Noord-Amerika. Wilde schapen voeden zich met kruiden en gras en kunnen zich dankzij hun dichte pels (die soms van lange nekmanen voorzien is) in extreem koude condities handhaven zolang voldoende voedsel beschikbaar is.

1. Soorten

De systematiek van de schapen is buitengewoon moeilijk. Een compromis is een systeem van zes soorten: Op grond van hun wol, worden ze ingedeeld in haarschapen, schapen met gemengde wol, schapen met gladde wol en schapen met merinoswol.

dikhoornschaap (O. canadensis), Dall's schaap (O. dalli) en sneeuwschaap (O. nivicola), alle drie in Noord-Amerika en sommige ook ten dele in aangrenzend SiberiŽ, de laatste twee soms als ondersoorten van de eerste beschouwd; argali (en verwanten, O. ammon), oerial plus moeflon (en verwanten, O. orientalis), zie moeflon, en het huisschaap (O. aries). Een ander systeem beschouwt alle schapen als behorend tot ťťn soort (O. ammon) met talrijke ondersoorten. Het blauwe schaap wordt tot de geiten gerekend.

Onder de Aziatische wilde schapen onderscheidt men twee hoofdgroepen, hier als soorten opgevat, de grote (argali, Marco-Poloschaap, Pamirschaap, enz.; Ovis ammon; zeven ondersoorten op en rond het Himalajamassief van het Aralmeer oostwaarts tot Pamir), en de kleine (Laristanschaap, moeflon, oerial, schroefhoornschaap, enz., Ovis orientalis; negen ondersoorten van Corsica, SardiniŽ en Cyprus oostwaarts tot in Noordwest-India). De moeflon behoort tot de kleinste van deze laatste; de grootste vormen (Ladak) hebben een schouderhoogte van 90 cm of meer (horens tot ca. 100 cm, record 115 cm). De argali's worden veel groter en zijn ook wat zwaarder gebouwd; de grootste vormen hebben een schouderhoogte van ca. 125 cm en kunnen 150Ė200 kg wegen (horens tot ca. 150 cm, record 191 cm). De meeste Aziatische vormen worden sterk in hun voortbestaan bedreigd, vnl. door ongebreidelde jacht; fel begeerde trofeeŽn, wijdverbreide vuurwapens en politieke onrust in het verspreidingsgebied zijn hier debet aan. De Amerikaanse vormen genieten echter een uitstekende bescherming. Kruising met huisschapen is een andere vorm van bedreiging in AziŽ. Draagtijd ca. 5 maanden; 1Ė2 lammeren per worp; maximale levensduur tot 24 jaar.

2. Het huisschaap

Men onderscheidt een groot aantal rassen (zie schapenrassen). Afgezien van de vetstuitschapen stammen alle huisschapen af van vormen van de moeflon. Het schaap is een van de oudste huisdieren. De geschiedenis van de domesticatie gaat terug tot tussen 8000 en 7000 v.C. Vooral in het Semitische cultuurgebied hield men al vroeg huisschapen, reeds ten tijde van de aartsvaders. De huisschapen hebben tijdens de domesticatie veel van hun natuurlijke eigenschappen verloren. Zij worden behalve om het vlees vooral gefokt om de wol, die een dicht, samenhangend vlies vormt. Slechts enkele typen uit warme landen missen de wolvacht en bezitten alleen dekhaar. Tamme schapen (huisschapen) leven bij voorkeur in vlakke gebieden. Het is niet precies bekend wanneer schapen huisdieren zijn geworden. Waarschijnlijk stammen de Europese schapen van de Europese moeflon af.

2.1 Huisvesting en voeding

Een stal kan nuttig zijn bij slecht weer, bij felle zon of wanneer de lammeren geboren worden. Het houden van schapen vereist grasland. Uitbreken kan voorkomen worden door sloten of door een stevige afrastering met gaas van ongeveer 1 m hoog (met om de 4 ŗ 5 m een paal), waarbij een goede aansluiting met de grond van belang is. Een voldoende grote weide dient verdeeld te worden in percelen, zodat men de schapen steeds op een ander perceel kan laten weiden. Dit kan ernstige besmetting met maag- en darmparasieten voorkomen.

In de zomer levert een goede weide voldoende onderhoudsvoer. Ruwvoeder (waaronder gras, hooi, ingekuild gras, voederbieten) alsmede andere knol- en wortelgewassen zijn noodzakelijk voor een goede penswerking. Naast ruwvoeder moet krachtvoer (granen, peulvruchten, schapenbrokjes) verstrekt worden.

Het verstrekken van rundveebrokjes kan leiden tot kopervergiftiging. Ook een te eenzijdige voeding (met alleen koolsoorten bijv.) kan leiden tot vergiftiging. Tijdens de draagtijd kan extra krachtvoer noodzakelijk zijn. Men wake tegen overvoeding (te zware lammeren, meer moeilijke geboorten). Een royale voeding in de zoogperiode is van belang voor voldoende melkproduktie (0,5Ė1 kg schapenbrok[ken], afhankelijk van het aantal lammeren). Na het spenen van de lammeren (10Ė12 weken oud) kunnen de ooien sober gehouden worden. Men geve de lammeren eerste kwaliteit gras, zo nodig aangevuld met krachtvoerkorrels voor lammeren.

2.2 Verzorging

Een schaap kan mak worden gemaakt door een rustige en kalme omgang; eventueel leiden met een halster. Vooral bij hoogdrachtige ooien bestaat het gevaar dat het schaap na een rollende beweging op de rug komt te liggen, zonder hulp niet overeind komt en binnen enkele uren sterft.

In de loop van de zomer worden de volwassen schapen, meestal op warme dagen, geschoren. Dit dient vakkundig te gebeuren om scheerziekte te voorkomen. Kouvatten na het scheren moet vermeden worden door het aanbieden van beschutting. Regelmatig dient men de hoeven te verzorgen; overtollige hoorngroei en andere hoefafwijkingen moeten deskundig behandeld worden.

2.3 Voortplanting

Een ram is geslachtsrijp op een leeftijd van 4 ŗ 5 maanden. Bij de ooi kan men de geslachtelijke activiteit (bronstigheid) voor de eerste maal verwachten op een leeftijd van 5 ŗ 6 maanden. Gedurende ongeveer twintig tot dertig uur laat de ooi de ram dan toe. Om de ongeveer 17 dagen keert zo'n bronstperiode terug. De jaarlijkse cyclus in de voortplanting van de ooi kent een periode van anoestrus (zonder bronst, van ongeveer februari tot september) en vervolgens de bronstperiode. De draagtijd duurt gemiddeld 146Ė148 dagen; de werpgrootte (1Ė4 lammeren) stijgt met toenemende leeftijd (met een maximum op de leeftijd van 4 jaar). De lammerperiode vereist extra aandacht. Bij de geboorte van de lammeren is uiterste zindelijkheid en soms ingrijpen door de dierenarts vereist. Schapen worden gemiddeld 14 tot 15 jaar oud.

Moederloze of verstoten lammeren kan men overwennen bij een ander moederschaap (het lam moet dan besmeerd worden met vruchtwater, nageboorte of melk van het minschaap, of tezamen met het minschaap en haar eigen lam in een apart hokje geplaatst worden) of opfokken met kunstmelkpoeder voor lammeren. Het is gewenst dat het lam eerst wat biest krijgt van de moeder of een andere pas gelamd hebbende ooi. Men kan de melk met zuigfles en kunstspeen verstrekken. Na twee weken moet men wat hooi (binnen) of gras (buiten) ter beschikking stellen. Na zes ŗ zeven weken kan de kunstmelkvoeding beŽindigd worden mits er goed weidegras (of hooi) en krachtvoer ter beschikking staan.

2.4 Ziekten

Door een doelmatige verzorging, huisvesting en voeding kunnen de meeste ziekten bij schapen voorkomen worden.

Worminfecties (veroorzaakt door maag- darmwormen, leverbotten, longwormen) komen veelvuldig voor, mede door overbezetting van de percelen grasland en bij gebrek aan hygiŽne in de stal of rondom verzamelplaatsen. Dikwijls zijn er onduidelijke symptomen: wisselende eetlust, lusteloosheid, slechte wolkwaliteit of loslaten van wol, wisselende samenstelling van ontlasting, slechtere conditie en vermageren. In ernstige gevallen, vooral bij jonge dieren, treden op: maag- darmklachten (diarree, koliek) en bloedarmoede, leveraandoeningen en ernstige bloedarmoede, longaandoeningen (gekenmerkt door krachtig hoesten). De bestrijding van de worminfecties dient in overleg met de dierenarts plaats te vinden. Omweiden op schone percelen grasland beperkt de besmettingsgraad.

Huidparasieten (schapenluis, schapenschurft) kunnen jeuk, bloedarmoede en vermagering tot gevolg hebben. Regelmatige controle en/ of bestrijding met geschikte diergeneeskundige bestrijdingsmiddelen is een noodzaak. Maden, voorkomend op bevuilde achterstellen of in verwondingen (vnl. voorkomend bij lammeren in minder goede conditie), kunnen in de huid dringen. Aantasting wordt voorkomen door de achterstellen vrij van vuil te houden.

Stofwisselingsziekten worden veroorzaakt door een afwijkend magnesium-, calcium- of acetongehalte in het bloed (resp. kopziekte, melkziekte, acetonemie). Hoogproduktieve dieren vertonen, meestal om en nabij de geboorte, ziekteverschijnselen zoals vermindering van de eetlust, sloomheid, sufheid, blijven liggen, soms wilde aanvallen (met de poten slaan: kopziekte) of het verspreiden van een acetonreuk uit de luchtwegen (acetonemie). Spoedige diergeneeskundige hulp is in de meeste gevallen levensreddend.

Vergiftigingen kunnen voorkomen door planten (kool, taxus, rododendron, liguster, lupine en narcis), onkruidverdelgers, insecticiden en metaalverbindingen (o.a. koperverbindingen).

Kreupelheid is een onregelmatigheid in de gangen van het schaap. De oorzaak bevindt zich veelal in de hoeven en kan door een goede verzorging van de hoeven voorkomen worden.

De belangrijkste bacterie- en virusziekten bij het schaap zijn de volgende. Rotkreupel, een besmettelijke ontsteking aan de hoefjes. Onmiddellijke diergeneeskundige hulp is noodzakelijk. De zere-bekjesziekte (ecthyma) is een besmettelijke ontsteking van de lipranden met later korstvorming, vooral bij lammeren. De zere-oogjesziekte gaat gepaard met roodheid en zwelling van het bindvlies, tranenvloed en lichtschuwheid; soms zijn er zweertjes, roodheid of troebeling op het hoornvlies te zien. Het bloed of enterotoxemie wordt veroorzaakt door Clostridium-bacteriŽn en is een snel en dodelijk verlopende ziekte, vooral bij jonge, snel groeiende lammeren. Er bestaat een vaccin tegen. De zwoegerziekte is een slepende aandoening van de longen bij volwassen schapen, zich uitend in kortademigheid of dampigheid (= zwoegende ademhaling). Plotselinge sterfte kan plaatsvinden na inspanning, opjagen of bijkomende infectie.

Andere schapenziekten die voorkomen zijn: uierontsteking ( Ďblauw uierí), spijsverteringsstoornissen (pensstoornis, koliek, diarree), aandoeningen van de ademhalingsorganen (tuberculose, pasteurellose [zie Pasteurella]), aandoeningen van het zenuwstelsel (listeriose, scrapie, visna, ziekte van Aujeszky), gewrichtsontstekingen. Deze ziekten, alsmede ziekten van lammeren, vereisen diergeneeskundige hulp.

Honderd jaar geleden was het tamme schapenbestand wezenlijk groter dan nu omdat de dieren naast vlees en melk ook wol voor kleding leverden. Door de toenemende populariteit van katoen en kunstvezels en door het afnemen van weidegronden is de schapenteelt de laatste jaren sterk gedaald.

 
   

footer zoogdieren

© copyright WorldwideBase 2005-2009