header zoogdieren


 maak van deze website uw startpagina !

WorldwideBase
Alle wwbase pagina's

 

Veldmuis

 

Zoogdierenpagina klik hier >>>

 
Kopromp 90-1 30 mm; staart 25-45 mm; achtervoet 14-18 mm; oor 9-12 mm; gewicht 14-45 gram. De vacht maakt een kortharige, gladde indruk. De haren zijn alle ongeveer even lang. De rugzijde is dof geel- tot bruingrijs, lichter dan bij de aardmuis, de buikzijde vuilwit tot lichtgrijs. Er zijn vele kleurvariëteiten, waaronder melanisme en albinisme, beschreven. De haren op de basis van de oren zijn korter dan 7,5 mm, waardoor er altijd een gedeelte van de oorschelp zichtbaar is. De binnenzijde van het oor is met korte, stijve haren bezet. Het lobje bij de ooringang is altijd korter dan 2 mm. De staartlengte is minder dan 33% van de kopromplengte.

De veldmuis bevindt zich het liefst in kort, niet te vochtig gras-, wei- of akkerland, boomgaarden, wegbermen en dijken. Dus voornamelijk in open cultuurland. In 1-lagige vegetatiestructuren is de veldmuis dominant, in 3-lagige de aardmuis. In 2-lagige structuren geeft de vochtigheid de doorslag. De veldmuis is in droge biotopen dominant over de aardmuis. De gemiddelde dagelijkse actieradius is 6 a 8 m. De mobiliteit van het vrouwtje is minder dan die van het mannetje, waarschijnlijk heeft dit te maken met nestzorg. De grootte van het leefgebied van vrouwtjes is 300 tot 400 m2, van mannetjes 1200 tot 1500 m2. Van jongen 200 tot 300 m2. De gangen (doorsnede 3,5 cm) bevinden zich dicht onder de oppervlakte en bevatten nest-, eet- en voorraadkamers. Soms wordt een nest bovengronds aangelegd. Bovengrondse paden verbinden de gangen. Veldmuizen maken soms gebruik van mollengangen. In geschikte biotopen zijn vaak uitgebreide stelsels van looppaadjes en oppervlakkige gangen aanwezig, die gedurende meerdere jaren gebruikt worden. Ook onder een sneeuwdek worden looppaadjes aangelegd, die na het smelten van de sneeuw nog duidelijk zichtbaar zijn. Voor loopsporen zie rosse woelmuis.

Leefwijze en populatie.

Veldmuizen zijn vooral in de avondschemer en 's nachts actief, overdag minder. Per etmaal vinden ongeveer tien perioden van activiteit plaats. Om de twee uur komen de veldmuizen vrijwel allemaal tegelijk uit hun holletjes tevoorschijn om te gaan eten. Deze synchronisatie heeft waarschijnlijk tot doel de effectiviteit van de predatie te minimaliseren. Overigens stemmen verschillende roofvogels hun jachtactiviteit af op het activiteitsritme van de veldmuizen. Gedurende het seizoen treden verschuivingen in het activiteitenpatroon op; zo is de nachtelijke activiteit in de zomer groter en start deze eerder. Veldmuizen lopen goed en staan daarbij dikwijls stil, waarbij ze zich vaak op de achterpoten oprichten. Ze klimmen en springen weinig. Vrijwillig zwemmen is vastgesteld. In de zomer leven mannetjes en vrouwtjes paarsgewijs in territoria, waaruit indringers geweerd worden. 's Winters is de sociale structuur onduidelijk en overlappen de leefgebieden elkaar.

In de voortplantingstijd zijn de territoria van de vrouwtjes gescheiden, die van de mannetjes overlappen elkaar. Gevechten en verjaging treden echter veel op bij mannetjes. Bij een onderzoek naar de holletjesbezetting van volwassen veldmuizen werd gevonden dat ca. 55% bezet werd door één vrouwtje, 25% door één mannetje, 10% door één mannetje en één vrouwtje, 7% door twee vrouwtjes, 1,5% door drie vrouwtjes en 0, 1 % door twee mannetjes.

In de voortplantingstijd, van maart tot oktober (soms langer), krijgen wijfjes maandelijks 3 tot 8 (gemiddeld 5-6) jongen na een draagtijd van ca. 20 dagen. Deze jongen schijnen soms al na 14 dagen bevrucht te kunnen worden.

Veldmuispopulaties vertonen duidelijke dichtheidsfluctuaties. Elke 3 jaar is er een veldmuizen daljaar, daarna een jaar waarin de aantallen toenemen en dan een topjaar. In de piekjaren worden ook de zogenaamde overloopbiotopen bevolkt. Ook binnen één jaar fluctueren de aantallen. Doorgaans is de populatiedichtheid aan het eind van de winter het laagst en in het najaar het hoogst. Onder invloed van verschillende factoren kan er in een topjaar een plaag ontstaan. Veldmuizenplagen hebben zich na 1950 in Nederland nagenoeg niet meer voorgedaan. Populatiecycli komen echter nog steeds. Aangezien de veldmuis het belangrijkste stapelvoedsel is voor diverse roofvogels (met name torenvalk), uilensoorten en onder andere de wezel en de blauwe reiger worden populatieschommelingen bij de veldmuis gevolgd door populatieschommelingen bij bovenstaande dieren. De dichtheid in Nederland is in goede biotopen tot 750 per ha. in wegbermen tot 1400 per ha. In de voormalige DDR is eens een dichtheid van 30 per 100 m2 gemeten, in Frankrijk zelfs 48 per 100 m2. Veldmuizen leven in het wild gemiddeld korter dan 1 jaar en maximaal 1,5 jaar, in gevangenschap tot 3 jaar.

Voedsel, eetsporen en uitwerpselen.

Voornamelijk groene delen van grassen en kruiden, daarnaast zaden en ondergrondse plantedelen, boomschors ('s winters), vruchten en mos, incidenteel spinnen. Voedselresten zijn te vinden in gangen en voorraadkamers.

Geluid.

Veel zwijgzamer dan de aardmuis, hoog sjirpend piepen, eenlettergrepig. De jongen maken ultrasone geluiden.

Verspreiding.

Komt voor in een groot deel van West- en Midden-Europa. In het Mediterrane gebied ontbreekt de soort grotendeels, evenals in Noorwegen en Zweden, Groot-Brittannië en Ierland, behalve op de Orkney's en op Guernsey (daar is het de enige woelmuissoort). Veldmuizen bevinden zich overal in de Benelux min of meer algemeen verspreid in de geschikte biotopen, behalve op de Waddeneilanden (wel op Ameland). In België leven ze voornamelijk in de lager gelegen poldergebieden. Ze kunnen plaatselijk zeer talrijk zijn.

Beheer.

De veldmuis wordt vaak als plaagdier beschouwd. Als ze zeer talrijk voorkomen kunnen veldmuizen veel schade veroorzaken, met name door het aanvreten of uithollen van gewassen (andijvie, bieten of wortels van grassen), het aanknagen van fruitboomstammen en bovengrondse gewassen (granen). Ook kunnen ze weilanden vernielen door graven en woelen en bepaalde ziekten overbrengen, zoals modderkoorts.

In een rijk geschakeerd kleinschalig landschap kunnen veldmuizen naar allerlei biotopen wegtrekken, zodat er nergens een populatie-explosie plaatsvindt. Mogelijk speelt zo'n landschap concurrentie van andere soorten een rol bij het laag houden van de veldmuisaantallen. Gebleken is dat de huidige graslandbewerking (regelmatig maaien, rollen, slepen, scheuren en verwijderen van pollen) nadelig is voor de veldmuis, aangezien hierdoor direct en indirect sterfte optreedt en het oppervlak aan overloopbiotopen te gering wordt. De hoofdoorzaken van het uitblijven van veldmuisplagen sinds 1950 zijn de intensivering van landbouw en veeteelt, waarbij veel restbiotopen verdwenen, en de wijziging in landschapsinrichting.

Waarnemingsmethoden.

Veldmuizen maken vrijwel altijd een belangrijk deel uit van de prooi resten in braakballen van ransuil en kerkuil. De soort is moeilijk te vangen in live-traps. Aan de hand van de looppaadjes en holletjes kan men een kwalitatief beeld krijgen van fluctuaties in de veldmuizenstand. Hiertoe wordt in een proefvlak (50 m2) de positie van alle holletjes genoteerd, waarna deze afgedekt worden met bijvoorbeeld schelpen. Na een bepaalde tijd, bijvoorbeeld 24 uur, wordt geteld hoeveel holletjes heropend zijn. Men kan met deze methode een indruk van de aantalverschillen krijgen op grond van:

Het per onderzoeksperiode gemiddeld aangetroffen aantal holletjes;

Het gemiddelde aantal heropende holletjes per periode;

Het percentage heropende holletjes;
 

 
   

footer zoogdieren

© copyright WorldwideBase 2005-2009