header zoogdieren


 maak van deze website uw startpagina !

WorldwideBase
Alle wwbase pagina's

 

Walvisachtigen

 

Zoogdierenpagina klik hier >>>

 

Walvisachtigen, de orde Cetacea van de Zoogdieren. Deze volledig aan het leven in het water aangepaste zoogdieren hebben voorouders die op het land leefden. De Walvisachtigen hebben echter alle bindingen met het land verloren: zij kunnen er niet meer in leven blijven. De opwaartse druk van het water staat grotere afmetingen toe dan op het land mogelijk is, wat tot gevolg gehad heeft dat de Walvisachtigen de grootst bekende dieren ter wereld hebben voortgebracht. Walvisachtigen bewonen alle wereldzeeën, inclusief een aantal tropische rivieren, soms over aanzienlijke afstanden landinwaarts. Sommige soorten, zoals blauwe vinvis (zie vinvissen), orka en potvis, hebben een vrijwel kosmopolitische verspreiding (in principe staan alle zeeën immers in open verbinding met elkaar). De verspreiding kan ook een beperkt gebied omvatten (bij bijv. de Groenlandse walvis en talrijke kleine dolfijnen, zoals de rivierdolfijnen). Van een aantal soorten zijn trekbewegingen bekend, soms over zeer aanzienlijke afstanden; paring en geboorte vinden vaak plaats in de tropen in de winter, terwijl de dieren in de zomer gewoonlijk arctische of antarctische wateren bevolken.

Het lichaam is torpedovormig en de voorste ledematen zijn tot afgeplatte vinnen ( ‘flippers’) geworden, waarbij echter de afzonderlijke vingers in het skelet herkenbaar gebleven zijn. De achterste ledematen zijn gereduceerd tot resten van het bekken, die bij de mannetjes nog een functie hebben bij de spieraanhechting van de penis. De staart heeft de vorm van een horizontale vin aangenomen, waarvan de vleugels niet door skeletdelen gesteund worden. Net als bij de andere zoogdieren loopt de ruggengraat uit in een aantal steeds kleiner wordende staartwervels. De staartvin is het voornaamste voortbewegingsorgaan. Een groot aantal soorten heeft ook een rugvin, die evenmin door skeletelementen ondersteund wordt; rug- en staartvin bestaan uit bindweefsel en spieren. Een rugvin draagt bij tot de stabilisatie in het water. De lichaamsvorm heeft tot een zekere verstijving van de ruggengraat geleid, zodat in de meeste gevallen de nekwervels geheel of ten dele met elkaar tot een star complex vergroeid zijn. De schedel is vaak enigszins (soms uitgesproken) asymmetrisch; de hersenschedel is relatief klein, het aangezichtsgedeelte is daarentegen vaak verlengd. Sleutelbeenderen ontbreken en het borstbeen is kort. Alle beenderen zijn vrij licht van bouw en vaak enigszins sponsachtig. De beharing is gereduceerd tot enkele haren rond de mond, die soms na verloop van tijd nog uitvallen. De huid is dun, vaak geplooid en vertoont soms opvallende kleurpatronen (dolfijnen, orka); talrijke parasieten kunnen zich op en in de huid nestelen. De lederhuid is tot speklaag (blubber) geworden, die zeer dik (maximaal ca. 70 cm) kan zijn en een isolatiefunctie heeft (de lichaamstemperatuur is ca. 35 °C). Van de zintuigen is vooral het gehoororgaan bijzonder ontwikkeld; dit speelt een rol bij de verschillende akoestische communicatiesystemen. De neusopeningen (spuitgat) liggen boven op de kop; bij de uitademing van de grote soorten ontstaan karakteristieke fonteinen van gecondenseerde waterdamp.

De bouw van het bloedvaatstelsel (zie bloedsomloop) en van de longen maakt een langdurig verblijf onder water (tot ongeveer een uur) mogelijk, waarbij de *a (caissonziekte’ voorkomen wordt. Bij het vervolgen van hun prooi kunnen walvissen soms zeer diep duiken, bij uitzondering tot 350–900 m. De bijzondere bouw van het strottenhoofd maakt het mogelijk dat de dieren onder water slikken zonder in moeilijkheden te komen. Bij de planktonetende baleinwalvissen kan de maag zeer groot zijn (inhoud. ca. 1000 liter). De nieren zijn zeer ontwikkeld en spelen een belangrijke rol bij de zoutuitscheiding. Per keer wordt slechts één jong geboren (stuitligging); de draagtijd varieert van 10–16 maanden naargelang de grootte van het dier. Het pasgeboren jong is relatief groot, soms tot bijna 2 van de lengte van het moederdier. Het jong kan onmiddellijk goed zwemmen en groeit zeer snel dankzij het hoge vetgehalte van de melk (40–50%); na verloop van 5–12 maanden wordt het jong gespeend. De maximale levensduur beloopt bij de grote soorten 30–40 jaar of meer; ook de kleine tandwalvissen bereiken soms hoge leeftijden. De meeste walvisachtigen leiden een betrekkelijk sociaal bestaan; slechts zelden treft men een solitaire walvis aan. Bij kuddevormende soorten als dolfijnen kunnen zeer grote aantallen aangetroffen worden, tot meer dan 100!000 toe. De tandwalvissen zijn veelal polygaam, de baleinwalvissen monogaam, hoewel ook hier vaak grotere eenheden waargenomen worden.

Sinds mensenheugenis zijn de walvisachtigen bejaagd (zie walvisvaart), wat tot een ernstige bedreiging van tal van soorten leidde. In 1982 werd de walvisvangst sterk beperkt en op een groot aantal soorten geheel verboden. Gelukkig is geen enkele soort totaal uitgeroeid. Nieuwe bedreigingen treden op in de vorm van zeeverontreiniging, massaal verongelukken in visnetten en overbevissing door de mens van vis en krill.

Sinds de Tweede Wereldoorlog worden kleine walvisachtigen (aanvankelijk in de Verenigde Staten en later ook in Europa) in toenemende mate en met steeds meer succes in gevangenschap gehouden (Dolfinarium Harderwijk, Zoo Antwerpen, Zoo Duisburg e.a.), waar zij zich ook voortplanten. Ruimte en voeding stellen hier vooralsnog limieten aan; enkele baleinwalvissen moesten wegens snel toenemende afmetingen weer vrijgelaten worden, volwassen orka's kunnen redelijk goed gehouden worden.

1. Indeling

De Walvisachtigen worden verdeeld in twee onderorden (door sommige auteurs wel als orden beschouwd). Het voornaamste verschil bestaat uit de voedselspecialisaties en de daarmee samenhangende bouw van de mond. De Tandwalvissen (Odontoceti) voeden zich vnl. met vissen en inktvissen en hebben daartoe een spitse bek met talrijke tanden en een daarbij behorend vanggedrag ontwikkeld. Deze walvisachtigen zijn over het algemeen relatief klein, met als uitzonderingen orka en potvis; totaal omvatten de Tandwalvissen ca. 80 soorten.

De Baleinwalvissen of Baardwalvissen (Mysticeti) voeden zich vnl. met macroplankton (o.a. krill), dat schaaldieren en kleine vissen omvat; dat materiaal wordt massaal uit het water gezeefd door middel van een gordijn van baleinen, plooien van het monddak die verticaal naar beneden hangen en van franje voorzien zijn, en in samenwerking met de tong en onderkaak een zeer efficiënt zeefapparaat vormen. De Baardwalvissen hebben in de loop van de evolutie hun gebit geheel gereduceerd en zijn geweldig in grootte toegenomen; het totaal aantal soorten bedraagt slechts tien, onderverdeeld in drie families.

Walvisachtigen stammen af van dezelfde voorouders als de roofdieren en hoefdieren; men kent een groot aantal fossiele soorten – helaas is van echte overgangsvormen geen sprake, alle fossielen zijn duidelijk als voorlopers van de huidige walvisachtigen te herkennen. Op het gebied van de walvisbiologie heeft Nederland een belangrijke rol gespeeld, wat eveneens, in mindere mate, geldt voor België.

Walvissen zijn zoogdieren, die uitsluitend in het water leven. Ze hebben zich aangepast aan een leven in het water en ze hebben de vorm van een vis. Ze zijn vaak ontzettend groot. Afhankelijk van de soort schommelt hun lengte tussen de 1 en de 33 meter. Ze kunnen tussen de 25 en 140 ton zwaar worden. Walvissen kunnen in twee groepen worden onderverdeeld. We onderscheiden namelijk tandwalvissen en baardwalvissen. De indeling is gebaseerd op het feit dat tandwalvissen tanden hebben en baardwalvissen niet. De tandwalvis heeft in ieder geval een kaak die voorzien is van tanden. Walvissen ademen niet door middel van kieuwen maar door middel van longen.Ze zijn warmbloedig en hebben goed ontwikkelde hersenen en een goed ontwikkeld zenuwstelsel. Hun jongen worden levend geboren en gezoogd. Dit zijn allemaal duidelijke kenmerken van zoogdieren verder hebben ze geen enkele overeenkomsten met de zoogdieren. De voorste ledematen van de walvissen lijken op vinnen, de achterste zijn geatrofieerd. Als ze zich voortbewegen maken ze gebruik van een horizontaal geplaatste staartvin. Dit onderscheidt hen van de vissen. Door de staartvin kunnen ze tijdens de jacht naar boven en naar beneden duiken.

Walvissen hebben een massief, haarloos lichaam, dat aan de buitenkant geen geledingen vertoont en zonder bepaalde afbakening in een grote kop overgaat. Hier bevindt zich de bek. Ze hebben geen lippen. De bek bevat een groot aantal tanden (tandwalvis) of baarden(baardwalvis) bevat. Baarden (baleinen) bestaan uit hoornplaten. De beenderen hebben een sponsachtige structuur. Onder de huid bevindt zich dikwijls een geweldige vetlaag. Deze laag houdt de lichaamswarmte vast. De ogen van de walvis zijn zeer klein en het binnenste ooglid ontbreekt. Een uitwendig oor ontbreekt eveneens. De neus, waarvan de hoogste opening boven op de schedel ligt, fungeert als spuitgat. Er loopt een directe verbinding van neusholte naar de keel. De keel is verbonden met een brede luchtpijp die uitmondt in een grote long. De walvis spuit bij het bovenkomen de verbruikte lucht naar buiten via het neusgat: hierdoor ontstaat een metershoge fontein. Rustig zwemmende walvissen ademen ongeveer 1 keer per anderhalve minuut. Sommige walvissen kunnen wel een uur onder water blijven. Walvissen kunnen zeer goed duiken en zwemmen. Ze kunnen tot een diepte van 2000 meter duiken (potvis).

De reukzin en het gehoor zijn goed ontwikkeld. Walvissen kunnen met elkaar communiceren door middel van ultrasonische tonen. Ook kunnen ze door middel van ultrasonisch geluid de plaats van rotsen of scholen vissen bepalen. Op zoek naar voedsel en vooral om zich voort te planten, leggen veel walvissen elk jaar enorme afstanden af. In de warmere zeeën vindt de paring plaats. Hier worden ook de jongen geboren. Met hun eerst nog dunne vetlaag zouden ze niet kunnen overleven in koudere wateren. De jongen hebben reeds bij de geboorte al een derde deel van de grootte van hun moeder. Ze worden gevoed met behulp van de melktepels die in een huidplooi liggen. De melk is zeer vet. De jongen zijn over het algemeen pas na 4-10 jaar geslachtsrijp. Het voedsel van volwassen walvissen is zeer verschillend. Terwijl baardwalvissen (blauwe vinvis) zich overwegend met plankton en kleine dieren zoals kreeften of kwallen voeden, jagen tandwalvissen op robben, vissen en andere zeedieren. Tot de baardwalvissen behoren de blauwe vinvis, gewone vinvis en de Groenlandse walvis. Tot de tandwalvissen behoren de dolfijnen, tuimelaars (bruinvis) en de potvis.
 

 
   

footer zoogdieren

© copyright WorldwideBase 2005-2009