|
De Weekdieren vertonen een enorme diversiteit; de meeste groepen
zijn gekenmerkt door een week lichaam en het bezit van een harde
schelp.
Andere typische weekdierkenmerken zijn verder een mantel (die het lichaam
omhult), een radula (rasptong, bestaand uit een samenstel van een groot
aantal horizontale rijen minuscule tandjes) en (kamvormige) kieuwen
(ctenidia); de verschillende groepen vertonen verder overeenkomst in bouw
van bloedvatenstelsel
en zenuwstelsel
en ook in de embryonale ontwikkeling.
De mantel (pallium), in wezen een huidplooi, is zelf weer
gevouwen, zodat een mantelholte gevormd wordt. De mantel is op veel
verschillende manieren gedifferentieerd en speelt een rol bij
voedselvoorziening, ademhaling, voortbeweging en opbouw van de schelp. Bij de
Keverslakken
en Mosselachtigen
is de mantel langs de voet vergroot voor het vergaren van voedsel; bij de Slakken
is door de torsie (draaiing van het lichaam) de mantel aan de rugzijde komen te
liggen. Bij de Koppotigen
daarentegen is de mantel aan de buikzijde gesitueerd en dient daar als krachtig
gespierd orgaan voor de voortbeweging. De mantel vormt de schelp. De wand van de schelp is in principe
opgebouwd uit drie lagen:
een buitenlaag (periostracum, een eiwitlaag), een prismatische middenlaag
(calciet of aragoniet, op basis van
calcium)
en een binnenlaag (gewoonlijk een parelmoerlaag).
De schelp bestaat voor een groot deel uit kalk; deze kalk wordt ontleend aan het
voedsel of aan het zeewater. Zie ook schelp, Slakken [dierkunde]
en Mosselachtigen.
Het bloedvatenstelsel is een open stelsel. Het zenuwstelsel doet
nog veel aan dat van de
Gelede wormen denken (touwladderzenuwstelsel
met talrijke modificaties). Bij de Koppotigen is van een zodanige concentratie
van zenuwknopen (ganglia) in de kop sprake, dat het woord ‘hersenen’ hier
wel voor gebezigd wordt.
De bevruchte eicel ondergaat een spiraalklieving, wat resulteert
in een van trilhaarkransen voorziene larve (trochophora-larve; zie ook Gelede wormen),
welk stadium ook binnen het ei doorlopen kan worden. Het volgende stadium, de
veligerlarve, heeft al een schelpje en een velum (drijf- en
zwemvlies). Ook dit stadium kan in het ei doorlopen worden; bij bepaalde groepen
voltrekt de gehele
gedaanteverwisseling zich zelfs binnen het
ei.
De drie grootste groepen van de Weekdieren zijn in principe
gekenschetst door hun leefwijze, nl. de Slakken zijn kruipende voedselraspers,
die de gehele wereld veroverd hebben, de Mosselachtigen zijn weinig beweeglijke
filtreerders in zee en zoet water, en de Koppotigen zijn zeer beweeglijke in zee
levende roofdieren geworden. Hoewel de Weekdieren gemakkelijk in een aantal
hoofdgroepen in te delen zijn, is de onderlinge relatie van die groepen nog
omstreden, wat samenhangt met verschillende inzichten betreffende de afstamming
van de Mollusken. Enerzijds zijn er argumenten aan te voeren voor een
gemeenschappelijke voorouder van de Gelede wormen, de Geleedpotigen en de
Weekdieren, anderzijds bestaat de mogelijkheid de Weekdieren van eenzelfde
voorouder als de Platwormen af te leiden. Hiermee houdt o.a. verband de vraag of
en in hoeverre de Weekdieren (sporen van) segmentatie vertonen.
Tot de weekdieren, die men ook mollusca noemt, behoren
meer dan 100.000 soorten. Ze worden onderverdeeld in drie hoofdcategorieën:
mosselen, de slakken en de koppotigen. Hoewel ze qua uiterlijk kunnen verschillen hebben ze
toch allemaal dezelfde bouw: kop, romp en mantel. Hun weke lichaam bevat geen
skelet. Aan de onderkant van de romp bevindt zich een voet, die
gewoonlijk ter voortbeweging dient. Bij de koppotigen (inktvissen) heeft deze
voet zich ontwikkeld tot een trechter en armen. De mantel, die meestal begint
bij de overgang tussen ingewandszak en voet, is in alle drie groepen
verschillend gevormd. Bij de meeste soorten bevindt zich hier vaste behuizing
van kalk, de schelp. Tussen de romp en de mantel ligt de mantelholte, die
bij de in het water levende soorten kieuwen bevat, en bij de landslakken longen.
Stoffen worden uitgewisseld via een open bloedvatenstelsel. Het zenuwstelsel
bestaat uit drie paar zenuwknopen. Deze bevinden zich in de kop, in de voet en
in de ingewanden. Ze zijn onderling met elkaar verbonden. Vanuit deze
zenuwknopen lopen de zenuwen door het lichaam. Weekdieren planten zich voort door middel van eieren.
Uit deze eieren komen zwemmende larven komen. Tot de slakken behoren de longslakken en de
kieuwslakken, tot de koppotigen behoren de inktvis en de nautilus.
Uitgestorven soorten, zoals de belemnieten, zijn als
fossielen in de aardlagen bewaard gebleven. Ze hebben vooral in het
Jura-tijdperk en het Krijt geleefd. De ammonieten, die dezelfde bouw hebben als
de nautilus, leefden ook zo’n 200 miljoen jaar geleden in het Jura-tijdperk. Ze
bevolkten destijds in grote getalen de zeeën. Ook zij zijn uitgestorven.
|