header zoogdieren


 maak van deze website uw startpagina !

WorldwideBase
Alle wwbase pagina's

 

De yak

 

Zoogdierenpagina klik hier >>>

 

jak, ook yak of bromrund, de soort Bos (of Poephagus) grunniens, groot rund van het onherbergzame bergland van Tibet (tot boven 6000 m). De wilde vorm is door overbejaging zeer in aantal teruggelopen; deze is bruinzwart behaard en heeft een schouderhoogte van 1,70–1,85 m en een totale lengte van meer dan 3 m, gewicht tot meer dan 600 kg, horens 65–75 cm lang. Door de viltige en tot de hoeven reikende lange beharing is het dier in staat het barre hooglandklimaat te verdragen. Daarnaast neemt de jak genoegen met uiterst spaarzame kost.

Eens trokken grote kudden wilde yaks over de verlaten hooglanden van Centraal-Azië. Momenteel leven als gevolg van overbejaging nog slechts 500 van deze dieren in het wild. Tamme yaks zijn er echter in grote aantallen. Ze spelen in het leven van de plaatselijke bevolking een uiterst belangrijke rol.

Met zijn lange vervilde vacht die bijna tot de grond reikt en hem tegen de ijzige koude beschermd, is het dier goed aangepast aan het leven op 4000 tot 6000 meter hoogte. Zijn vacht is zo dik en warm dat het hem niet deert om in de sneeuw te slapen. De yak leeft van korstmossen, kruiden en harde grassen die in het hooggebergte  groeien. Net zoals andere runderen werd de yak zowel bejaagd als getemd. Zijn ongelooflijke kracht en zijn vermogen om in de hoogalpiene gebieden  te kunnen overleven, hebben ervoor gezorgd dat de yak een onmisbare rol in het leven van veel bergnomadenstammen speelt. In het begin van de paartijd voegen de volwassen stieren zich bij de kudden en concurreren onderling om de gunst van de koeien. Onder gunstige omstandigheden bevalt de koe elke twee jaar van een kalf. De draagtijd beloopt ca. 9 maanden (één jong per worp); maximale levensduur minder dan 25 jaar. Huisjaks worden wel met huisrunderen gekruist; ook zijn onder de gedomesticeerde jaks hoornloze rassen bekend.

► Vermoedelijk werd circa 1000 jaar voor het begin van onze jaartelling in Tibet de eerste yak getemd.

► Door een gistings-proces ontstaan in de maag van de yak een temperatuur van 40 graden Celsius, een soort inwendige centrale verwarming waardoor het dier temperaturen van -40 graden Celsius.

► De vroeger gebruikte naam voor de wilde yak, Bos grunniens, betekent 'brommend rund'.

► De Tibetaanse jak is het nauwst verwant met de Afrikaanse buffel, de Amerikaanse bizon en de wisent. De jak, een bedreigde diersoort, leeft uitsluitend in verschillende geïsoleerde gebieden in het Hoogland van Tibet op een hoogte tussen de 4000 en 6000m.

De yak met zijn lange hoorns en ruige vacht is een van de taaiste runderen. Het is een van de weinige dieren die op de schrale Tibetaanse hoogvlakten in de ijzige, ijle lucht kan overleven.

De al ver voor onze jaartelling gedomesticeerde huisjak wordt niet zo groot als zijn wilde verwant en is vaak gevlekt. Het dier is als rij-, last- en trekdier verspreid over de koelere hooglanden van continentaal Azië. Letterlijk alles wordt gebruikt: vlees, huid, wol, melk (ook als een van de grondstoffen voor een alcoholische drank) en mest (brandstof in streken boven de boomgrens). In tegenstelling tot de meeste andere runderen laat de jak eerder een gebrom (vandaar bromrund) dan een geloei horen, vooral in de bronsttijd (herfst).

► In tegenstelling tot wat zijn plompe verschijning doet vermoeden, is de yak een uitgesproken behendige klimmer. Het dier heeft een zekere tred en is sterk en onvermoeibaar, waardoor het grote afstanden kan afleggen. Tamme yaks dienen als rijdieren en lastdieren, hun wol wordt tot kleding verwerkt, en hun melk wordt tot kaas en boter verwerkt
 

 
   

footer zoogdieren

© copyright WorldwideBase 2005-2009