Franz Liszt
 

 
   



 

 



Liszt, Franz

(eig. Ferenc; Raiding, bij Ödenburg, Burgenland, 1811 - Bayreuth 1886)

Hongaars pianist, componist en dirigent. De historische betekenis van Liszt ligt enerzijds in de pianistische techniek, waarvan de grenzen door hem aanzienlijk uitgebreid werden, en anderzijds in het vinden van instrumentale vormen die niet meer aan de klassieke principes gebonden waren. Daarbij ontwikkelde hij zich harmonisch tot een schrijver van samenklanken en verbindingen die pas in de 20e eeuw ingang vonden.

Om zijn pianistische kwaliteiten, die zich al vroeg openbaarden, te ontwikkelen, ging Liszt in 1821 naar Wenen, waar hij anderhalf jaar les had van de grote pianopedagoog Carl Czerny. In 1823 vertrok hij naar Parijs, een centrum van pianovirtuozen, waar hij aan het conservatorium wilde studeren, maar als buitenlander door Cherubini niet werd aangenomen. Wel werd hij binnen zeer korte tijd als een der grootste pianisten erkend, te midden van figuren als Moscheles en Thalberg, en begon zijn leven van triomfenvierende virtuoos, die de meeste landen van Europa bereisde. Voor zijn pianistische arbeid waren twee musici die hij in Parijs ontmoette, van wezenlijk belang, Paganini en Chopin. De eerste vanwege zijn ongeëvenaarde techniek op de viool, de tweede door zijn vermogen de piano op zeer poëtische manier tot klinken te brengen. Vooral Liszts pianowerken die kort na de dood van Chopin (1849) ontstonden, vertonen een heel directe verwantschap met diens stijl, terwijl de kennismaking met Paganini tot onmiddellijke technische veranderingen in virtuoze richting leidde, waaruit onder meer de Études d'exécution transcendante d'après Paganini (1838) ontstonden. Opvallend zijn de grote sprongen en het spelen met octaven, in het bijzonder de zgn. Liszt-octaven, waarbij beide handen afwisselend octaven spelen en een chromatische lijn door de duimen gerealiseerd wordt.

Ook het literaire klimaat van Parijs was van invloed op Liszt, en de verbintenis met de literair ontwikkelde gravin Marie d'Agoult, met wie hij vele reizen maakte, vond haar neerslag in pianowerken als Tre sonnetti del Petrarca (1839) en de eerste twee delen van de Années de pèlerinage (1848-54 en 1849).

Een ander belangrijk contact, vooral van grote betekenis voor zijn orkestcomposities, was dat met Berlioz. Toen Liszt in 1847 besloot zijn leven als rondreizend pianovirtuoos op te geven en in 1848 de post van hofkapelmeester in Weimar aanvaardde, waren Berlioz en Wagner de twee grote eigentijdse componisten voor wie hij op de bres stond. In de jaren die hij in Weimar verbleef - samen met de ook zeer literair ingestelde prinses Caroline von Sayn-Wittgenstein - ontstonden zijn voornaamste orkestwerken, die onder invloed van Berlioz programmatisch van karakter zijn.

Belangrijk in de geschiedenis van het symfonische repertoire is zijn schepping van het symfonisch gedicht, dat verwantschap met de ouverture vertoont, maar geheel vrij van vorm is. Ook zijn Faust-symfonie (1854) is niet meer in het klassieke vormschema geschreven, maar heeft een doorlopende en cyclische vorm. In deze periode oefenden Liszt en Wagner (met wie Liszts dochter Cosima na haar huwelijk met dirigent Hans von Bulow trouwde) veel invloed op elkaar uit, wat in een regelmatige motiefverwantschap tussen beiden tot uitdrukking komt. De stijl van de niet-virtuoos ingestelde Wagner komt bij Liszt steeds meer naar voren in zijn laatste periode, nadat hij zich in 1860 in Rome gevestigd had, waar hij de lagere wijdingen ontving (vandaar zijn bijnaam abbé Liszt). Vooral in zijn pianowerken vanaf deze tijd is die versobering sterk waar te nemen; iets minder is dit het geval in de vele religieuze werken die na 1860 ontstonden: (de zgn. Graner Messe stamt al uit 1855) oratoria (Legende van de heilige Elisabeth , 1862, Christus , 1866) en koorwerken.

Vanaf 1871 verbleef Liszt gedeelten van het jaar in Rome, Weimar en Boedapest, waar hij directeur van het conservatorium was. In die laatste jaren vonden zijn werken steeds minder weerklank (waar hij ook steeds minder pogingen toe deed) door de ongewone harmonische wendingen en het toepassen van andere dan de gebruikelijke toonschalen. Pas in de 20e eeuw werden dergelijke schrijfwijzen algemeen goed.

Van het buitengewoon omvangrijke oeuvre van Liszt, waartoe ook zeer veel parafrases en transcripties van opera's en orkestwerken (onder meer van Berlioz' Symphonie fantastique) behoren, hebben slechts weinig werken repertoire gehouden: o.a. de symfonische gedichten Les préludes (1848-1854), Mazeppa (1851) en Tasso (1849-1854), de Faust-symfonie (1854), bovengenoemde pianowerken, de sonate in b klein (1853), enkele van de 19 Hongaarse rapsodieën (vanaf 1851), wat kleinere pianostukken en zijn twee pianoconcerten, in Es (1830-1856) en in A (1839-1861).