Gioacchino Rossini
 

 
   
Klik op de radio
voor een fragment



 



Rossini, Gioacchino (Antonio)

(Pesaro 1792 - Parijs 1868)

Italiaans componist. Rossini, die ook wel de `Zwaan van Pesaro' werd genoemd, werd geboren als zoon van een aan rondreizende operagezelschappen verbonden sopraan en koperblazer. Naast piano, leerde hij viool, cello en hoorn spelen. Als jongenssopraan werkte hij mee aan uitvoeringen in kerken en theaters. Van 1806 tot 1810 studeerde hij aan het Liceo Musicale te Bologna cello, piano en contrapunt. Hij hield zich intensief bezig met de werken van Haydn, Mozart en Cimarosa. Toen hij in 1810 het Liceo verliet, had hij o.a. al een opera (La cambiale di matrimonio , 1810) voltooid, die in 1812 in Venetië met succes werd opgevoerd. In dat jaar schreef hij zijn eerste opera voor de Scala in Milaan (Pietra del Paragone). Zijn bekendheid nam, niettegenstaande enige minder succesvolle werken, snel toe met Tancredi en l'Italiana in Algeri (beide Venetië, 1813). In 1815 ging hij een contract aan met de impresario Domenico Barbaja (1778-1841) om jaarlijks twee opera's te componeren voor Napels en de leiding op zich te nemen van het Teatro San Carlo aldaar.

In datzelfde jaar schreef hij voor Rome Il barbiere di Siviglia , naar het gelijknamige stuk van Pierre A.C. de Beaumarchais, die hem weldra ook buiten Italië beroemd maakte. Het is een hoogtepunt in de geschiedenis van de komische opera (opera buffa) en staat op één lijn met het beste van Cimarosa en Mozart op dit gebied. In 1822 bezocht hij Wenen, waar hij met stormachtig succes zijn Cenerentola (Assepoester; 1817) dirigeerde.

In 1824 kreeg hij de leiding van het Théâtre Italien in Parijs. Zijn belangrijkste Franse opera's zijn Le comte Ory (1828) en Guillaume Tell (1829), het hoogtepunt in zijn Parijse carrière. Met dit werk, een zgn. `grand-opéra', oefende Rossini invloed uit op Meyerbeer. De ouverture van deze opera is een geliefd orkestwerk geworden, evenals die van bijvoorbeeld La scala di seta (De zijden ladder; 1812), La gazza ladra (De diefachtige ekster; 1817), l'Italiana in Algeri (1813), Il barbiere di Siviglia en Semiramide (1823). Na Guillaume Tell besloot Rossini geen opera's meer te schrijven, aangezien hij zich weinig aangetrokken voelde tot de snel terrein winnende Romantiek.

Van de schaarse werken die ontstonden in de veertig jaar dat hij nog leefde, zijn de voornaamste een Stabat Mater (1832-1842) en de Petite messe solennelle (1863).

Rossini woonde nu weer afwisselend in Frankrijk en Italië, waar hij o.a. directeur was van zijn oude school, het Liceo Musicale in Bologna (1840-1848). In Parijs hield hij `soirées', die bezocht werden door leidende figuren uit het Europese muziekleven van die tijd, o.a. Liszt en Wagner.