Jean-Baptiste Lully
 

 
   



 



Lully, Jean-Baptiste

(eig. Giovanni Battista Lulli; Florence 1632 - Parijs 1687)

Frans componist van Italiaanse afkomst. Lully kwam in 1646 in Franse hofkringen, aanvankelijk om een nicht van Lodewijk XIII Italiaans te leren; al in 1653 verbond hij zich aan het hof van Lodewijk XIV, wiens gunst hij voor zijn hele verdere leven verwierf. Het Franse muziekleven was door Mazarin sterk op Italië gericht. Lully's eerste balletten toonden ook een duidelijk Italiaans karakter, en zijn afkomst deed zich ook gelden in het oprichten (1656) van het ensemble Les Petits Violons, dat een grotere discipline in ritmische precisie en versieringskunst had dan de beroemde Vingt-quatre Violons du Roi. In zijn balletten voerde Lully nieuwe - vooral snellere - dansen in, met name het menuet, en kreeg de typische vorm van de Franse ouverture (statig, gepunteerd ritme gevolgd door een fugatisch deel in driedelig ritme) gestalte: voor het eerst in die vorm in de ouverture (1660) voor de opera Serse van Pietro Francesco Cavalli. Met de zelfstandige uitvoering van instrumentale delen van balletten ('symphonies') stond Lully tot ver in de 18e eeuw model voor componisten van Franse suites en droeg hij bij aan de ontwikkeling van de symfonie.

Na de dood van Mazarin (1661) vond er een kentering naar een eigen Franse stijl plaats, waaraan Lully zich onmiddellijk aanpaste. In het volgende decennium schreef hij met Molière toneelstukken, verlevendigd door balletten: de zgn. comédie-ballet, in Engeland `masque' genaamd. In de recitatieven verbond hij de Italiaanse lyrische expressie met de Franse prosodische gebondenheid, belangrijk voor zijn latere opera's. Als laatste ontstond in 1671 Psyché van Molière en Corneille, met recitatiefteksten van Philippe Quinault en Lully. In 1671 kocht Lully het operaprivilege van de dichter Pierre Perrin, die met de componist Robert Cambert succesvolle opera's schreef. In 1672 verkreeg hij voor zijn Académie Royale de Musique nagenoeg het alleenrecht voor uitvoeringen van opera's, waaraan hij zijn verdere leven wijdde. Vanaf 1673 (Cadmus et Hermione) verscheen ieder jaar een tragédie-lyrique, de meeste op libretti van Quinault, die mythologische en historische gegevens tot een logische dramatische handeling vormde. De effectvolle orkestratie is gebaseerd op een vijfstemmig strijkersensemble (vaak met houtblazers), dat ook karakteristiek was voor zijn balletten. De koren vallen op doordat ze werkelijk deel hebben aan de dramatische handeling.

De enkele geestelijke werken van Lully (o.a. een Te Deum (1677) en een Miserere (1664) bleven, zeker na zijn dood, geheel in de schaduw van zijn opera's, waarvan onder meer genoemd kunnen worden: Alceste (1674), Thésée (1675), Persée (1682), Amadis (1684), Roland (1685) en Armide (1686). Toen Lully in 1687 stierf, had hij zich dankzij zijn diplomatieke aanpassingsvermogen en ook wel gewetenloosheid tot een buitengewoon gevierd en vermogend man gemaakt.