Jean Philippe Rameau
 

 
   
Klik op de radio
voor een fragment



 



Rameau, Jean Philippe

(Dijon 1683 - Parijs 1764)

Frans componist, organist en muziektheoreticus. Rameau kreeg zijn eerste muzieklessen van zijn vader, die organist aan de kathedraal van Dijon was. Na een kort verblijf in Italië, in 1701, was hij organist aan verschillende kerken in meerdere Franse steden. In 1722, toen hij naam had gemaakt, vestigde hij zich voorgoed in Parijs. Van 1727 tot 1753 genoot hij het mecenaat van de rijke bankier De la Pouplinière en diens vrouw. Hij leidde hun privéorkest en hij leerde er de dichter Simon Joseph de Pellegrin en Voltaire kennen, die beiden operalibretto's voor hem zouden schrijven. In 1737 richtte hij een eigen school voor compositie op, waar hij veel leerlingen had. Zijn muziek vond alom grote waardering, ook aan het hof, waar Lodewijk XV hem in 1745 tot Compositeur de la Musique de la Chambre benoemde.

Het feit dat Rameau niet alleen in de compositiepraktijk zijn eigen weg ging, maar ook geneigd was theoretisch duidelijk stelling te nemen, bracht hem vaak in polemische situaties: eerst vormden zich de Ramistes en de Lullistes, die resp. de opera-opvattingen van Rameau en van Lully deelden. Deze partijen kwamen bij elkaar, toen zich van 1752 tot 1754 de Querelle des bouffons (buffonistenstrijd) afspeelde, met enerzijds Rameau en zijn aanhangers, die een eigen Franse (dramatische) opera voorstonden, en anderzijds degenen die liever Italiaanse buffo-elementen opgenomen zagen. In zijn laatste jaren voerde Rameau een polemiek met d'Alembert en Rousseau, die zich niet met zijn harmonische theorieën konden verenigen.

Rameaus klavecimbelwerken, kamermuziek, opera's en balletten nemen een belangrijke plaats in het Franse componeren in. De klavecimbelwerken zijn uitgegeven in drie banden Pièces de clavecin (1706, 1724 en ca. 1727). Het zijn kleine werken, met opgewekte melodieën en delicate ritmen, typische rococostukjes. Evenals de andere klavecinisten, vermeed Rameau ingewikkelde harmonische structuren, waardoor helderheid van vorm gewaarborgd bleef. Er zijn veel karakterstukken bij, met de meest uiteenlopende titels. De Pièces de clavecin zijn steeds in suites samengebracht. Het menuet neemt daarin de grootste plaats in, naast rondo's, improviserende preludes, thema's met variaties, enz.

De kamermuziek wordt vertegenwoordigd door de Pièces de clavecin en concerts (1741). Het zijn stukken voor klavecimbel, viool of fluit en gamba. Nieuw was de concerterende positie die het klavecimbel in het ensemble inneemt.

Het zijn vooral de instrumentale werken waardoor Rameau bekend is gebleven. Als organist schreef hij ook een aantal cantates en motetten, die thans vergeten zijn. Hoewel zijn opera's tijdens zijn leven veel succes hadden, werden zij later nog slechts zelden uitgevoerd. Zij bouwen gedeeltelijk voort op de opera's van Lully: ze bestaan uit een proloog en vijf aktes, behandelen mythologische onderwerpen, de koren zijn belangrijk en er zijn veel balletten in. Er zijn echter ook Italiaanse invloeden te bespeuren, met name het stellen van de muziek boven de tekst, wat de strijd tussen de Lullistes en de Ramistes teweegbracht. Zijn ouvertures, aanvankelijk los van de opera, betrok hij later bij het geheel, soms programmatisch, soms doorlopend in de eerste akte. In zijn rijke instrumentatie - het orkest was een grote rol toebedeeld - introduceerde hij klarinet en hoorn. Rameau schreef: tragédies-lyriques, o.a. Hippolyte et Aricie (1733), Castor et Pollux (1737), Dardanus (1739) en Zoroastre (1749); opéras-ballets, o.a. Les fêtes d'Hébé (1739), La temple de la gloire (1745) en Pigmalion (1748); comédies-ballets, o.a. Platée (1745); en ballets-héroiques, o.a. Les Indes galantes (1735).

Ook als theoreticus is Rameau bekend geworden en wel direct met zijn eerste boek uit 1722, Traité de l'harmonie réduite à ses principes naturels. Zijn theorieën waren van groot belang voor de harmonieleer en de tonaliteitsprincipes tot het begin van de 20e eeuw. Uit de boventonen van een los klinkende snaar (`corps sonore') leidde hij de grote drieklank af en de tertsgewijze opbouw van akkoorden; uit de onderharmonische de kleine drieklank. Hij analyseerde sext- en kwartsextakkoorden als omkeringen (met een fictieve `basse fondamentale' als grondtoon) van de drieklank in grondligging en hij stond de gelijkzwevende temperatuur van het klavecimbel voor om vrij te kunnen moduleren.