Leos Janacek

 

 
   



Janácek, Leoš

(Hukvaldy, Moravië, 1854 - Ostrava, Moravië, 1928)

Tsjechisch componist. Janácek ging voor zijn compositorische opleiding onder meer naar Leipzig (1879) en Wenen (1880), maar de opvatting over onderwijs van die conservatoria stelde hem teleur, zodat hij zich al snel weer in Tsjecho-Slowakije (Brno) vestigde. Daar richtte hij in 1881 een orgelschool op, die later tot een conservatorium zou uitgroeien. Hij ontplooide grote activiteiten in het muziekleven, zoals de leiding van de orgelschool, directie van koren en het uitgeven van een muziektijdschrift; zijn werk als componist beperkte zich tot het schrijven van koorwerken en enige instrumentale werken, waarin duidelijk invloeden van Dvorák en Smetana te herkennen zijn en die dus een West-Europees karakter hebben.

Aan het eind van de jaren tachtig begon Janácek het Tsjechische volkslied te bestuderen, in het bijzonder dat uit zijn geboortestreek Oost-Moravië. Mede onder invloed van Moessorgski (spraakritme) ontwikkelde hij hieruit tussen 1894 en 1897 zijn theorie van de spraakmelodie: zowel toonhoogte als toonduur volgt de intonatie van de spraak. Dit vond uiteraard zijn eerste toepassing in vocale werken, maar ook in de instrumentale werken heeft deze theorie doorgewerkt, wat daar vooral tot uiting komt in de asymmetrie van de muzikale zinnen, met onregelmatig ritme en een overheersende modaliteit, karakteristiek voor het Oost-Moravische volkslied.

Het zich afwenden van het westerse laat-romantische idioom naar dat van het Oost-Europese volkslied, met toepassing van de spraakmelodie, is voor het eerst helemaal uitgewerkt in de opera Jenufa (1894-1903). Doordat Janácek daarmee afweek van de heersende muzikale normen, werd deze opera aanvankelijk niet geaccepteerd. Pas in 1916 vond een opvoering in Praag plaats, in 1918 gevolgd door een in Wenen, waarmee hij zich eindelijk bekendheid verwierf. Daarna volgden de opera's Káta Kabanová (1919-1921), Het listige vosje (1921-1923), De zaak Makropoulos (1923-1925) en Uit een dodenhuis (1927-1928). De late erkenning, maar ook de omstandigheid dat Brno sinds 1919 een conservatorium had en daardoor naast Praag een muzikaal centrum werd, droegen ertoe bij dat hij naast deze opera's in zijn laatste scheppingsperiode zeer productief was en in een wat avant-gardistischer stijl vele van zijn belangrijkste werken schreef: twee strijkkwartetten (1923 en 1928, Intieme brieven) , het blaassextet Mládi (Jeugd, 1924), de Sinfonietta (1926) en de Glagolitische mis (1926). Uit zijn middenperiode stammen de vijftien pianostukken Po zarostlém chodnícku (Op een overgroeid pad, 1901-1908), een pianosonate (1905), de vier pianostukken V mlhách (In de mist, 1912), de orkestrapsodie Taras Boelba (1915-1918) en de opmerkelijke liederencyclus voor tenor, alt, 3 vrouwenstemmen en piano: Dagboek van een verdwenene (1917-1919). Zijn koorwerken ontstonden merendeels vóór 1900.