Pjotr Tsjaikovski
 

 
   
Klik op de radio
voor een fragment



 
 

Tsjaikovski, Pjotr (Iljitsj)

(Votkinsk, Vjatka, 1840 - Sint-Petersburg 1893)

Russisch componist. Hoewel Tsjaikovski, zoon van een mijningenieur, als kind al grote ontvankelijkheid voor muziek aan de dag legde, werd daar bij zijn opvoeding - voornamelijk in handen van een Franse gouvernante - vrijwel geen aandacht aan besteed. Na vanaf zijn tiende jaar in Sint-Petersburg de rechtsschool te hebben doorlopen, kwam hij in 1859 in dienst van het ministerie van Justitie. Pas in deze jaren ontving hij zijn eerste muziekonderricht (piano, muziektheorie) en in 1863 nam hij ontslag als ambtenaar om zich geheel aan de muziek te wijden. Op het conservatorium van Sint-Petersburg studeerde hij o.a. fluit en orgel; zijn belangrijkste leraar was Anton Rubinstein voor compositie. In 1865 werd hij zelf leraar muziektheorie aan het conservatorium van Moskou, waar zijn belangrijkste leerling Sergej Tanejev was. Tsjaikovski schreef een eigen harmonieleer (1872) en vertaalde de instrumentatieleer van Gevaert uit het Frans in het Russisch. Van 1872 tot 1876 was hij tevens muziekrecensent aan een Moskous avondblad. Rond 1865, ongeveer samenvallend met zijn vestiging in Moskou, begon ook zijn loopbaan als componist. In de daaropvolgende dertig jaar bouwde hij een omvangrijk oeuvre op, dat alle genres omvatte, maar waarvan vooral zijn symfonische werken hem van een lokale grootheid tot een wereldberoemdheid maakten. Tot de voornaamste werken die hij in zijn Moskouse periode (1865-1877) schreef, behoren de symfonische fantasieŽn Romeo en Julia (1869) en Francesca da Rimini (1876), het beroemde pianoconcert nr. 1 in bes (1875), de zgn. Rococo-variaties voor cello en orkest (1876) en het ballet Het zwanenmeer (1876). Ook schreef hij in deze periode enkele opera's.

In 1877 trouwde Tsjaikovski met een conservatoriumstudente, een huwelijk waaruit hij na twee maanden in overspannen toestand wegvluchtte. Voor herstel reisde hij naar Zwitserland en ItaliŽ, waar hij twee van zijn meest geslaagde werken voltooide: de vierde symfonie (1877) en de opera Jevgeni Onegin (Eugen Onegin , naar de gelijknamige versroman van Poesjkin; 1878). In deze periode begonnen de betrekkingen met Nadesjda von Meck (1831-1894), een rijke weduwe, die Tsjaikovski uit bewondering voor zijn werk van een jaargeld voorzag. Voorwaarde was echter dat ze elkaar nooit zouden ontmoeten. Deze relatie duurde dertien jaar en heeft zich geheel in de vorm van een briefwisseling afgespeeld. Tsjaikovski nam in 1878 ontslag als conservatoriumleraar en hield zich sindsdien in hoofdzaak met componeren bezig. Tot de bekendste werken uit deze tijd behoren het vioolconcert (1878), de serenade voor strijkorkest (1880), de Ouverture 1812 (1880; 1812 was het jaar van Napoleons catastrofale veldtocht tegen Rusland) en het Capriccio italien (1880). In 1882 voltooide hij een van zijn belangrijkste kamermuziekwerken, het pianotrio op. 50. Hij leefde in deze jaren in verschillende plaatsen in Rusland (o.a. op de landgoederen van zijn weldoenster) en in het buitenland (Zwitserland, Frankrijk, ItaliŽ). In 1885 vestigde hij zich op een buiten bij Klin (niet ver van Moskou). Het eerste werk dat hier ontstond, was de zgn. (ongenummerde) Manfred-symfonie (1885; geÔnspireerd op Byrons versdrama). Vanaf 1887 trad Tsjaikovski op als dirigent van eigen werk en ging hij concertreizen maken. Deze brachten hem, behalve in de grote Europese muziekcentra, tot in de Verenigde Staten (o.a. New York). Aan nieuwe werken ontstonden de vijfde symfonie (1888), de opera Schoppenvrouw (1890, naar de novelle van Poesjkin) en de overige twee van zijn drie grote balletten, Doornroosje (1889) en De notenkraker (1892). In 1893 werd hem een eredoctoraat verleend door de universiteit van Cambridge. Enkele weken na de door hem zelf geleide premiŤre van de zesde symfonie (Pathťtique) overleed hij in Sint-Petersburg aan cholera.

Tsjaikovski is de eerste componist geweest die Rusland een internationaal erkende status van muziekland heeft gegeven. Toch was hij geen `Russisch' componist, zoals zijn tijdgenoten Balakirev, Borodin en vooral Moessorgski dat waren, die zich principieel baseerden op de Russische volksmuziek als inspiratiebron en zich voor beÔnvloeding door `het Westen' afsloten. Weliswaar zijn in Tsjaikovski's vroege werken Russische volksliedelementen aanwijsbaar (bijvoorbeeld in de tweede, Klein-Russische symfonie , maar zijn muzikale stijl is minstens zozeer gevormd door invloeden van West-Europese componisten (Bellini, Berlioz, Schumann, Liszt). In zijn latere werken komt een sterk pessimistische grondtoon naar voren. Dat hij ook over een lichte toets beschikte, bewijzen werken als de balletmuzieken en de vierde suite (Mozartiana). Tsjaikovski's briljante instrumentatiekunst heeft o.a. Stravinsky beÔnvloed.