Bloempoliepen of Bloemdieren
de klasse Anthozoa van de Neteldieren.
De 6000 beschreven soorten komen
uitsluitend in zee voor.

 

1. Anatomie en leefwijze

1.1 Bouw van de poliep

De cilindervormige poliep is aan het ene uiteinde vastgehecht aan de ondergrond en draagt aan het andere een krans van tentakels rondom de mond. De opperhuid heeft zich bij de mond naar binnen gestulpt en vormt zo de mondbuis (farynx). De mondbuis geeft toegang tot de darmholte. Vanaf de lichaamswand staan verticale schotten (septa), radiair gerangschikt in de darmholte. De Octocorallia (v. Gr. oktoo = acht) bezitten acht septen en evenveel geveerde tentakels. De Hexacorallia (v. Gr. hex = zes) bezitten meestal een veelvoud van zes septa en evenveel ongeveerde tentakels. De dieren kunnen de tentakels intrekken en zich tegen de ondergrond drukken met behulp van spieren, die in de lengterichting van de septa verlopen. Kringspieren in de lichaamswand maken de cilinder dunner, zodat ze zich weer kunnen oprichten.

1.2 Spijsvertering

Op de vrije randen van de septa bevinden zich cellen die spijsverteringssappen afscheiden, en cellen die het verteerde voedsel opnemen. Ook bevinden zich hierop bij de Zeeanemonen draadvormige netelorganen, die door de mond of door kleine porin in de lichaamswand naar buiten geslingerd kunnen worden voor prooivangst of afweer (zie netelcel). Vele zeeanemonen vangen grotere prooien, andere leven van kleine zwevende organismen, die aan de tentakels blijven kleven en met behulp van trilhaar naar de mond worden gevoerd, zoals ook de andere bloempoliepen doen.

1.3 Voortplanting

De gonaden (geslachtsklieren) bevinden zich in de septa. Bloempoliepen zijn f hermafrodiet (tweeslachtig) f van gescheiden geslacht. De zaadcellen komen via de mond naar buiten en kunnen via de mond van een ander individu de eieren bevruchten. De eerste ontwikkeling vindt dan in het moederdier plaats, waarna de larven het moederdier via de mond verlaten. De eicellen kunnen ook uitgestoten worden, zodat bevruchting in het zeewater plaatsvindt. Ongeslachtelijke voortplanting door knopvorming of deling komt zeer veel voor. De kolonies groeien door ongeslachtelijke voortplanting.

1.4 Kolonievorming

Het kalkige uitwendige skelet van de individuele poliepen, de coralliet geheten, bevat steeds een basale plaat waarop een aantal schotten of septa staat ingeplant. Soms zijn de septa omgeven door een buitenwand, zodat de coralliet een kelkvormig omhulsel van de poliep is. Kolonievorming treedt in zulke gevallen op doordat de corallieten met de buitenwanden tegen elkaar aangroeien. In veel gevallen heeft de coralliet geen buitenwand. Kolonievorming treedt dan op doordat de corallieten onderling verbonden zijn door een sponzige kalkmassa, het sclerenchym.
 

2. Paleontologie

Vertegenwoordigers van de Bloemdieren worden voor het eerst in het Ordovicium aangetroffen en de groep is sindsdien in volle bloei gebleven. Het is waarschijnlijk de belangrijkste groep uit de stam Neteldieren.

Paleontologisch zijn de Rugosa (Ordovicium Perm), de Tabulata (Ordovicium Perm) en de Scleractinia (Midden Trias recent) de belangrijkste groepen.

2.1 Rugosa

Deze zijn solitair of kolonievormend. Er is een geleidelijke ontwikkeling tijdens de individuele groei van septa in vier verschillende segmenten van de coralliet, waarbij een tweezijdig symmetrische rangschikking van de septa ontstaat.

2.2 Tabulata

Deze zijn altijd kolonievormend. Septa ontbreken of zijn rudimentair en bestaan, indien aanwezig, uit rijen stekels, knobbels of eenvoudige richels aan de binnenzijde van de wand van de coralliet. De coralliet is verder verdeeld door horizontale schotten, de tabulae.

2.3 Scleractinia

Deze zijn solitair of kolonievormend. De eerste zes septa (protosepta) worden tegelijkertijd aangelegd in zes verschillende segmenten van de coralliet, waarna achtereenvolgens verscheidene septa (metasepta) worden gevormd, zodat ten slotte een min of meer radiair symmetrische rangschikking van de septa ontstaat.

Vele fossiele Bloempoliepen waren rifbouwende organismen. Fossiele riffen zijn bekend uit o.a. het Siluur van Gotland en het Devoon van Belgi.