Israel
geschiedenis

 

Terug naar overzicht AziŽ >>

 


6. Geschiedenis

6.1 Ontstaan
IsraŽl werd in 1948 als onafhankelijke staat gesticht in Palestina. Door de activiteit van het zionisme was daar een joodse gemeenschap ontstaan, tegen welker uitbreiding de Arabieren zich verzetten (zie ook joden). Als oplossing van het aldus ontstane conflict stelde een Britse onderzoekscommissie in 1937 voor het land te verdelen in een joodse en een Arabische staat en een internationaal district. Alhoewel de Britse regering het plan verwierp, bleven de joden aandringen op de oprichting van een joodse staat, vooral onder de invloed van de catastrofe die hen in de Tweede Wereldoorlog trof. Toen de naoorlogse regering van Groot-BrittanniŽ de joodse eisen tot immigratie weigerde in te willigen, ontstond er een opstand, die haar ten slotte dwong het probleem aan de Verenigde Naties voor te leggen. Een commissie namens de Verenigde Naties beval opnieuw een deling van Palestina aan en dit plan werd op 29 nov. 1947 door de Assemblťe aangenomen. Onmiddellijk ontstond er een burgeroorlog tussen Arabieren en joden, waarbij de laatsten na aanvankelijke tegenslagen en grote verliezen, de overhand begonnen te krijgen. Onder de indruk van het bloedige conflict en de tegenwerking van Groot-BrittanniŽ wilden de Verenigde Naties het delingsbesluit ongedaan maken, maar het inmiddels gevormde Voorlopige Bestuur van de joodse gemeenschap, die 600!000 zielen telde, riep op 14 mei 1948 de joodse staat IsraŽl uit.
6.2 IsraŽlisch-Arabische Oorlog
De laatste Britse troepen verlieten op 15 mei het land en op dezelfde dag vielen zeven Arabische staten IsraŽl aan. Het leger, geformeerd uit de reeds bestaande verzetsorganisaties, waarvan de Hagana de belangrijkste was, wist vrijwel alle door joden bewoonde gebieden en een groot deel van de gemengde steden te behouden of te veroveren. Met een onderbreking van een maand duurden de gevechten voort tot begin 1949, toen er onder bemiddeling van de VN wapenstilstandsverdragen werden gesloten op het eiland Rhodos, met Egypte, Libanon, JordaniŽ en SyriŽ. IsraŽl had inmiddels een groter gebied veroverd dan het bij de oorspronkelijke verdeling was toegewezen. Toch was zijn positie allerminst gunstig: niet alleen hadden twee Arabische staten zich delen van Palestina toegeŽigend (Egypte: de kuststrook van Gaza; JordaniŽ: de Westelijke Jordaanoever waaronder een gedeelte van de stad Jeruzalem), maar bovendien weigerden zij de wapenstilstand om te zetten in een vrede. De toestand van oorlogvoering kwam tot uiting o.a. in een economische boycot, het sluiten van waterwegen voor IsraŽlische schepen en overvallen op IsraŽlisch gebied. Inmiddels hadden zich belangrijke demografische wijzigingen voltrokken. Reeds in begin 1948 had er een uittocht plaatsgevonden van Palestijnse Arabieren (ten minste 550!000). Daartegenover nam de jonge staat joodse immigranten op uit alle delen van de wereld.
6.3 Ben Goerion
IsraŽls eerste minister-president en jarenlang de dominerende figuur was David Ben-Goerion (1948-1953; 1955-1963). Hij was de leider van de grootste partij, de socialistische Mapai, die bij verscheidene verkiezingen voor het parlement 40 tot 47 zetels (van de 120) behaalde. Verder waren er nog 10 tot 13 middelgrote en kleine partijen: uiterst linkse, liberale, nationalistische en religieuze. Ondanks de grote verscheidenheid van partijen was er een politieke stabiliteit, daar er bij de verkiezingen weinig verschuivingen optraden. Er werden pogingen gedaan tot het vormen van grotere groeperingen, welke pogingen resulteerden in een socialistisch blok en een liberaal-nationalistisch blok. Mettertijd werden ook enkele Arabieren in het parlement opgenomen; sommigen ter vertegenwoordiging van specifiek Arabische partijen.
6.4 Suezcrisis
Het belangrijkste probleem dat IsraŽl bleef bezighouden, was echter de verhouding tot de Arabische staten. Vooral na de revolutie in Egypte (1952) begon de situatie dreigend te worden, omdat de Egyptische president Nasser ernaar streefde de nederlaag van 1948 ongedaan te maken. In 1955 nam de spanning toe, doordat Egypte wapens geleverd kreeg uit communistische landen. Het toenemen van de Palestijnse infiltraties in IsraŽl, de militaire verbonden tussen Egypte en Arabische landen, het sluiten van het Suezkanaal en de Straat van Tiran (toegang tot de Golf van Eilat) voor IsraŽlische schepen, waartegen IsraŽl al jarenlang geprotesteerd had, waren de oorzaak van grote bezorgdheid. Toen Nasser het Suezkanaal nationaliseerde en in conflict raakte met de Westerse mogendheden, besloot IsraŽl tot de aanval over te gaan (zie ook Suezcrisis). In zes dagen veroverde het leger onder bevel van Mosje Dajan het schiereiland SinaÔ (29 okt. 1956). Onder druk van de Verenigde Naties, waarin de Verenigde Staten en de Sovjet-Unie samenwerkten en met sancties dreigden, trok IsraŽl in maart 1957 zijn troepen terug, waarbij het echter bedong dat de Straat van Tiran voor de scheepvaart vanuit Eilat open zou blijven en dat daar en in de Gazastrook troepen van de Verenigde Naties gelegerd zouden worden om de status quo te handhaven (zie ook Midden-Oosten 3. Periode 1949-1967).
In 1960 raakte premier Ben Goerion in conflict met een groot aantal partijgenoten, hetgeen in 1963 leidde tot zijn aftreden. Hij werd opgevolgd door de minister van FinanciŽn Levi Esjkol (1963-1969).
6.5 Zesdaagse Oorlog
In mei 1967 werd de situatie voor IsraŽl kritiek. De troepen van Egypte, SyriŽ, JordaniŽ, Irak en Koeweit werden in paraatheid gebracht en Nasser eiste en verkreeg de aftocht van de troepen van de Verenigde Naties. Hij verklaarde tevens geen schepen meer door te zullen laten. De Jordaanse koning, Hoessein, sloot vervolgens een verbond met Nasser. Pogingen op internationaal niveau een oplossing van de crisis te bereiken, mislukten. Het inmiddels gevormde nationale kabinet (waarin Mosje Dajan minister van Defensie was geworden) besloot daarop de aanval op Egypte en SyriŽ te openen (5 juni 1967). Hierop verklaarden de Arabische staten zich solidair met Egypte en JordaniŽ. Het IsraŽlische leger onder opperbevelhebber Jitschak Rabin bleek verreweg superieur; in zes dagen werden de SinaÔ, het gehele gebied ten westen van de Jordaan met inbegrip van het gedeelte van Jeruzalem dat nog in Arabische handen was, en de hoogvlakten van de Golan veroverd.
Op 10 juni 1967 werd door bemiddeling van de Veiligheidsraad het vuren gestaakt, waarmee een eind kwam aan de Zesdaagse Oorlog (ook wel Juni-oorlog).
6.6 Resolutie Veiligheidsraad
Op 22 nov. 1967 nam de Veiligheidsraad een resolutie aan (nr. 242) die uitging van terugtrekking door IsraŽl uit de door dit land bezette gebieden en van de soevereiniteit en territoriale onschendbaarheid van elke staat in het Midden-Oosten. Verscheidene vredespogingen liepen stuk. Van de zijde van de Palestijnse bevrijdingsorganisaties werd veelvuldig overgegaan tot aanvallen binnen en buiten IsraŽl (o.a. bij de Olympische Spelen in MŁnchen, 1972), die door IsraŽl met preventieve en vergeldingsacties werden beantwoord.
6.7 Jom Kippoeroorlog
Om de impasse inzake de bezette gebieden te doorbreken, gingen SyriŽ en Egypte op 6 okt. 1973 (de joodse feestdag Jom Kippoer) over tot een gecombineerde aanval op IsraŽl. Na aanvankelijk Arabisch succes slaagde het IsraŽlische leger er in de Syrische troepen terug te drijven tot achter de bestandslijn van 1967 en een bruggenhoofd in Egypte te vormen op de westelijke oever van het Suezkanaal. Op 22 okt. nam de Veiligheidsraad een resolutie aan inzake een bestand, waarna het vuren werd gestaakt. Deze Oktoberoorlog of Jom Kippoer-oorlog had intussen binnen IsraŽl zelf grote politieke beroering teweeggebracht: onmiddellijk na het staakt-het-vuren werd heftige kritiek geleverd op de regering. In maart 1974 vormde mevrouw Golda Meir, die in febr. 1969 de overleden premier Esjkol was opgevolgd, een nieuwe coalitieregering; in april echter kondigde zij haar aftreden aan. Generaal Rabin werd premier van een nieuw coalitiekabinet, waarin Mosje Dajan en de minister van Buitenlandse Zaken Abba Eban niet terugkeerden: zij werden vervangen door resp. Simon Peres en Jigal Allon (vice-premier onder Meir). In de loop van 1974 werden met Egypte en SyriŽ troepenscheidingsakkoorden gesloten, waarbij IsraŽl zich terugtrok uit de gebieden die het in de Oktoberoorlog had bezet. Na Amerikaanse bemiddeling werd ten aanzien van de SinaÔ in sept. 1975 een nieuwe overeenkomst bereikt: IsraŽl trok zijn troepen verder terug naar het oosten, waarbij het o.m. de olievelden bij Aboe Rodeis prijsgaf.
Intussen geraakte IsraŽl, vooral door de hantering van het 'oliewapen' door de Arabische landen, in toenemende mate geÔsoleerd. Ook werd het betrokken in de Libanese burgeroorlog; IsraŽl voerde vergeldings- en preventieve acties tegen de Palestijnen uit op Libanees grondgebied.
6.8 Verkiezingsoverwinning Likoed
In 1977 deed zich een aantal markante veranderingen voor. Ten eerste werden de parlementsverkiezingen niet, zoals gebruikelijk, gewonnen door de Arbeiderspartij maar door de conservatieve Likoedpartij onder Menachim Begin. Deze vormde een coalitie met Jigal Jadin van de nieuw opgerichte Democratische Beweging. Ten tweede was er een vredesinitiatief van president Sadat van Egypte, die in november naar IsraŽl kwam voor een bezoek aan Begin. In 1978 kwam onder bemiddeling van de Amerikaanse president Carter te Camp David een 'raamovereenkomst' tot stand, die o.m. in een vredesverdrag tussen beide mogendheden en overdracht van de SinaÔ door IsraŽl aan Egypte voorzag (zie Camp David-akkoorden). Met dit laatste werd in 1979 een begin gemaakt. In maart van dat jaar kwam een vredesverdrag met Egypte tot stand. Dat de regering-Begin haar beleid inzake het stichten van joodse nederzettingen in de bezette gebieden voortzette, verwekte binnenlandse tegenstellingen (Mosje Dajan, minister van Buitenlandse Zaken, trad zelfs af) en belemmerde een verdergaande toenadering tussen IsraŽl en Egypte. Een crisis dreigde toen het parlement in aug. 1980 een wet aannam waarbij Jeruzalem tot de ene en ondeelbare hoofdstad werd verklaard. Op 7 juni 1981 voerde de IsraŽlische luchtmacht een aanval uit op een kerncentrale in Irak, waarvan men vermoedde dat zij gebruikt werd voor de ontwikkeling van atoombommen.
De verkiezingen van 30 juni 1981 werden gewonnen door het Likoedblok. Begin vormde zijn tweede kabinet met o.a. generaal Sjaron op Defensie. Naast de intensivering van het nederzettingenbeleid in bezet gebied en de onverzoenlijke houding van de regering-Begin jegens de Arabische wereld leidde de annexatie van de Golanhoogvlakte (14 dec. 1981) tot scherpe internationale kritiek.
Door Amerikaanse bemiddeling was in juli 1981 een stilzwijgend bestand met de PLO in Libanon overeengekomen. Sinds 1978 hield IsraŽl in Zuid-Libanon een 'veiligheidszone' bezet. Na een aanslag op de IsraŽlische ambassadeur in Londen trokken IsraŽlische troepen op 6 juni 1982 andermaal Libanon binnen. Deze operatie 'Vrede voor Galilea' mondde echter al snel uit in een grootscheepse invasie en de belegering van Beiroet, waar IsraŽl de aftocht van de PLO-strijders afdwong (zie Midden-Oosten en Libanon). De Libanese oorlog ontmoette intern in IsraŽl veel kritiek, vooral toen IsraŽls Libanese bondgenoten in de Palestijnse kampen Sabra en Chatila een massamoord aanrichtten (sept. 1982). Grote demonstraties leidden tot een onderzoek door de commissie-Kahan, dat resulteerde in het aftreden van minister Sjaron. Inmiddels leed het IsraŽlische leger in Libanon steeds meer verliezen, o.a. door bomaanslagen en zegde Libanon een akkoord met IsraŽl (17 mei 1983) weer op in maart 1984.
De politieke polarisatie in IsraŽl nam toe. Tegenover de Vrede Nu-beweging stonden joodse nationalistische groeperingen (Goesh Emoniem). Een joodse ondergrondse beweging pleegde terreurdaden tegen Palestijnse leiders in bezet gebied. Ondertussen was ook de economische toestand (inflatie en werkloosheid) zeer zorgwekkend.
In aug. 1983 trad premier Begin af en nam zijn minister van Buitenlandse Zaken Jitschak Sjamir de leiding van het kabinet over. Vervroegde verkiezingen in maart 1984 leverden een patstelling op voor het Likoedblok en de Arbeiderspartij, waarop zij een regering van 'nationale eenheid' vormden, waarin eerst de socialist Sjimon Peres (1984-1986) en vervolgens Likoedleider Sjamir (1986-1988) premier zouden zijn. Deze regering besloot, afgezien van de veiligheidszone, tot een volledige terugtrekking uit Libanon (juni 1985). Met een diep ingrijpend saneringsbeleid wist dit kabinet de economische toestand te verbeteren.
In 1984 kwamen via een geheime luchtbrug 10!000 joden uit EthiopiŽ (Falasja's) naar IsraŽl.
6.9 Intifadah
Op de groeiende onrust in de bezette gebieden reageerde IsraŽl met harde strafmaatregelen, deportaties, verschijningsverboden en schoolsluitingen. Naast PLO-aanhangers manifesteerden zich hier ook steeds meer islamitische fundamentalisten (Hamas). Op 8 dec. 1987 brak in de Gazastrook en de Westelijke Jordaanoever de Palestijnse opstand (Intifadah) uit. Ondanks harde maatregelen bleek het leger niet in staat hieraan het hoofd te bieden. Mede door de internationale publiciteit kwam er steeds meer druk op IsraŽl, o.a. uit de Verenigde Staten, om vorderingen te maken in het vredesproces. De groeiende verdeeldheid hierover in IsraŽl zelf kwam tot uiting bij de verkiezingen van 1 nov. 1988, waarbij zowel het Likoedblok als de Arbeiderspartij zetels verloor aan radicale partijen ter rechter- en linkerzijde. In de daarop door Sjamir gevormde nieuwe regering van 'nationale eenheid' (kernkabinet Sjamir, Peres, Arens en Rabin) bleven echter de oude meningsverschillen onverkort bestaan.
Hoewel enige malen ernstig op de proef gesteld (Libanon-oorlog, spionageschandalen), bleef de nauwe strategische, politieke en economische samenwerking met de Verenigde Staten bestaan. Met de Sovjet-Unie en de toenmalige andere communistische landen in Oost-Europa werden in de jaren tachtig geleidelijk de banden hersteld, wat tot uiting kwam in o.a. een toenemende immigratie van Russische joden.
In het najaar van 1989 deden Egypte (de 'tien punten' van Moebarak) en de Verenigde Staten (het plan-Baker) vergeefse pogingen de impasse in het overleg over de bezette gebieden te doorbreken. Op 15 maart 1990 kwam het kabinet Sjamir-Peres ten val ten gevolge van de weigering van Sjamir het Baker-plan expliciet te aanvaarden. Na een moeizame kabinetsformatie wist Sjamir ten slotte in juni 1990 een coalitie te vormen van zijn Likoedblok met een aantal religieuze en nationalistische partijen.
Na het begin van de Tweede Golfoorlog op 17 jan. 1991 probeerde Irak IsraŽl bij de strijd te betrekken door IsraŽlische steden (waaronder Tel Aviv en Haifa) met Scudraketten (met conventionele lading) te bestoken, waarbij enige doden vielen, maar voornamelijk materiŽle schade werd aangericht. Op aandrang van de Amerikaanse regering besloot IsraŽl af te zien van vergeldingsacties teneinde de anti-Iraakse coalitie niet in problemen te brengen.
Tijdens de Tweede Golfoorlog was in de bezette gebieden een uitgaansverbod van kracht. Na de oorlog (febr. 1991) laaide de Intifadah weer op. Mede onder druk van de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken, James Baker, nam IsraŽl deel aan een vredesconferentie over het Midden-Oosten in Madrid (30 okt.-2 nov. 1991). De Palestijnen die deel uitmaakten van de Palestijns-Jordaanse delegatie, kregen bij hun terugkeer een heldenontvangst. Op 13 juli 1992 werd Sjamir vervangen door Jitschak Rabin. De nieuwe regering ging contacten met de PLO niet uit de weg, wat op 13 sept. 1993 in Washington resulteerde in een akkoord over beperkt Palestijns zelfbestuur in Gaza en Jericho (zie ook Palestijnse Nationale Autoriteit). Dit zgn. Akkoord van Oslo schiep nieuwe mogelijkheden voor een verbetering van de relatie met SyriŽ, JordaniŽ en Libanon en werd in 1995 gevolgd door het Oslo-2-akkoord, dat voorzag in een gefaseerde IsraŽlische terugtrekking uit de belangrijkste steden op de Westelijke Jordaanoever.
In maart 1993 koos de Knesset Ezer Weizman van de Arbeiderspartij tot president als opvolger van Chaim Herzog. In dec. werd een akkoord getekend met het Vaticaan over het aangaan van diplomatieke betrekkingen.
Midden 1994 tekenden de IsraŽlische premier Rabin en de Jordaanse koning Hoessein de zgn. Verklaring van Washington, waarbij formeel een einde kwam aan de staat van oorlog tussen beide landen. De onderhandelingen met SyriŽ bleven moeizaam verlopen. De voornaamste struikelblokken vormden de veiligheidsmaatregelen bij een IsarŽlische aftocht uit de Golanhoogte en de 'diepte' van de te sluiten vrede. Bij confrontaties tussen het IsraŽlische leger en zijn bondgenoot, de South Lebanese Army (SLA), enerzijds en sji'itische Hezbollah-strijders en Palestijnen anderzijds vielen ook in 1995 weer tientallen doden.
In nov. 1995 werd premier Rabin in Tel Aviv vermoord door een jonge IsraŽlische nationalist. De nieuwe regeringsleider Sjimon Peres - zie foto, die het vredesproces voortzette, leed eind mei 1996 bij de parlementsverkiezingen en bij de eerste directe verkiezing van een nieuwe premier een zeer kleine nederlaag tegen Likoedleider Benjamin Netanyahu. Laatstgenoemde vormde een rechtsreligieuze coalitieregering en beloofde het vredesproces met de PLO en de Arabische landen voort te zetten. Bij de eerder in 1996 gehouden verkiezingen voor een Palestijnse Raad en een Palestijnse president, die het bestuur in de Gazastrook en in verschillende steden en gebieden op de Westbank van de IsraŽlische militairen overnamen, zoals was overeengekomen in het Oslo-2-akkoord (zie Oslo-akkoorden), werd Arafat met ruime meerderheid tot president gekozen. In de loop van 1996 ontstond in IsraŽl grote politieke verdeeldheid over het vredesproces. De oorzaken daarvan waren de zelfmoordaanslagen van de terreurorganisatie HAMAS en het beleid van Netanyahu, die de vrede-voor-landfilosofie van Rabin en Peres terzijde schoof en op basis van een vrede-voor-veiligheidstrategie de onderhandelingen met de PLO onder grote buitenlandse druk schoorvoetend voortzette. Netanyahu kondigde de bouw van nieuwe joodse nederzettingen aan en weigerde aanvankelijk in te stemmen met de terugtrekking van het IsraŽlische leger uit Hebron, waarover begin 1997 alsnog overeenstemming werd bereikt. De spanningen tussen IsraŽl en de PLO liepen hierdoor snel op en ook de broze relatie met de Arabische landen werd door de harde IsraŽlische standpunten op de proef gesteld.