Zuid-Afrika
economie

 

Terug naar overzicht Afrika >>

 


4. Economie

4.1 Algemeen
De economie van Zuid-Afrika wordt gekenmerkt door een dualistisch karakter. Het gaat hier in wezen om een moderne economie, geconcentreerd in enkele sterke groeipolen, en een aantal onderontwikkelde samenlevingen, gekenmerkt door 'subsistence farming' (zelfvoorziening op agrarisch gebied, met slechts incidentele contacten met de geldeconomie). De moderne economie kent een aantal agglomeratiekernen, waarvan Zuid-Transvaal de belangrijkste is. Dit gebied dankt zijn economische groei vooral aan de aanwezigheid van delfstoffen in de bodem. Met name de ontdekking van het goud ten zuiden van Pretoria in 1885, samen met de vondst van diamanten in Kimberley vijftien jaar eerder, was het startsein voor de economische ontwikkeling van Zuid-Afrika. Op basis van de beschikbare delfstoffen ontstond hier tevens een sterke, expansieve nijverheid, en werd de Zuid-Transvaal het industriŽle hart van Zuid-Afrika. De drie overige agglomeraties danken hun bestaan veeleer aan de nabijheid van zeehavens. Het zijn: de Westelijke Kaap, Durban en Port Elizabeth. De officiŽle regeringspolitiek was erop gericht te komen tot een modernisering en daardoor ontwikkeling van de thuislanden, waardoor deze minder afhankelijk zouden worden van de migratie naar de 'blanke' industriŽle concentraties. Dit beleid stuitte af op de blijvende grote vraag naar arbeidskrachten van de industriecentra en op de trage ontwikkeling van de thuislanden. De combinatie van een tekort aan arbeidskrachten (zowel geschoolden als ongeschoolden) en de problemen verbonden aan de ontwikkeling van de thuislanden hebben geleid tot de instelling van de 'grensnijwerhede', industrieŽn nťt over de grenzen van de thuislanden gelegen, die hun arbeiders aantrekken uit de thuislanden. De ontwikkeling van de Zuid-Afrikaanse economie had een late start; afgezien van de mijnbouw was er vůůr de Eerste Wereldoorlog weinig industrie. In de loop van de oorlogsjaren leidde het wegvallen van Europa als toeleveringsgebied tot het ontstaan van een lokale, invoervervangende nijverheid. Twee factoren hebben daarbij, ook na 1918, een rol gespeeld: in de eerste plaats de belangrijke bijdrage die de overheid leverde aan het ontwikkelen van een eigen industrie; in de tweede plaats de rol van buitenlandse bedrijven (uit o.a. Groot-BrittanniŽ, de Verenigde Staten en Nederland). De overheid aarzelde nooit zelf economische initiatieven te nemen waar haar dat noodzakelijk voorkwam, al bleef het vrije ondernemerschap de stelregel. Een belangrijk motief daarbij was om tegenover de overheersende positie van het Engelstalige bedrijfsleven een Afrikaner industriŽle elite te creŽren. In 1923 werd de Elektriciteitsvoorzieningscommissie opgericht, de ESKOM. De overheid speelde voorts een actieve rol bij de stichting van de ISCOR (Die Suid Afrikaanse Yster en Staal Industriele Korporasie). Tussen 1945 en 1970 kende de Zuid-Afrikaanse economie een ononderbroken, sterke economische groei. Het Bruto Nationaal Product (bnp) groeide m.n. tussen 1960 en 1970, en wel met 76%. Alle sectoren deelden in deze groei, alleen de landbouw bleef achter. Het grote aandeel van de goudproductie in de gehele economische activiteit bepaalt in hoge mate de ontwikkeling van de Zuid-Afrikaanse economie, een ontwikkeling die niet altijd parallel met die van de rest van de wereld verloopt. Een stijging van de goudprijs stimuleert productie en export van goud, een daling heeft het omgekeerde effect. De goudproductie fungeert als een vliegwiel voor de economie. In de eerste helft van de jaren zeventig deed zich ook in Zuid-Afrika de wereldrecessie voelen. Na het bloedbad van Soweto (1976) namen de buitenlandse investeringen af en namen sancties toe. De kosten van het olie-embargo tegen Zuid-Afrika worden van 1979 tot 1990 geschat op ten minste $ 25 miljard. Tussen 1975 en 1988 bedroeg de economische groei gemiddeld minder dan 2% en was daarmee lager dan de bevolkingstoename. Het regeringsbeleid om door middel van privatisering, deregulering en o.m. door invoering van een btw de economische ontwikkeling te bevorderen, is omstreden. De economische macht is geconcentreerd in een zestal grote bedrijven, waarvan Anglo American, Rembrandt en Sanlam de belangrijkste zijn.
Zuid-Afrika kent een extreme economische ongelijkheid. In 1990 leefden 17, 1 miljoen mensen onder de armoedegrens. De inkomensverdeling verhoudt zich per bevolkingsgroep als volgt: blanken 100, IndiŽrs 35, kleurlingen 25 en zwarten 12. Beziet men de mogelijkheden op langere termijn, dan moet gesteld worden dat Zuid-Afrika rijk is aan grondstoffen, waardoor een verdere economische groei mogelijk is. De zwakte van de economie is gelegen in de extreme verschillen in ontwikkeling en groeitempo van de regio en het verschil in economische ontwikkleing tussen de blanke en de zwarte bevolking, met de daaraan verbonden gevaren voor de politieke en economische stabiliteit. Sinds 1995 is er een reŽle groei van het bnp door een groot optimisme, hoge verwachtingen en effectieve nieuwe buitenlandse investeringen. Het einde van het isolement betekent expansie van de Zuid-Afrikaanse producten, die nu weer overal ter wereld welkom zijn. Door de toegenomen binnenlandse vraag staat het overschot op de handelsbalans evenwel onder druk.

4.2 Landbouw, visserij en bosbouw
Buiten de vier vermelde bevolkingsagglomeraties overheerst de landbouw. Ook hier doet zich het reeds gesignaleerde dualisme voor: enerzijds een moderne landbouw, beheerst door blanken, anderzijds 'subsistence farming', bedreven door de zwarte bevolking. De landbouw wordt in sterke mate bepaald door de klimatologische en fysisch-geografische omstandigheden. Naar schatting is in totaal niet meer dan 12% van de Zuid-Afrikaanse bodem in cultuur gebracht. De landbouw is georiŽnteerd op de markt en heeft een hoge productiviteit, al hebben enkele perioden van extreme droogte in de jaren tachtig en negentig een verwoestende uitwerking gehad. De regering geeft enerzijds subsidies om de landbouwoverschotten te exporteren, anderzijds wordt een aantal producten als volksvoedsel tegen lage prijzen op de binnenlandse markt afgezet. Het belangrijkste landbouwproduct is maÔs. Andere landbouwproducten zijn: suiker, aardnoten, tabak, citrusvruchten en zonnebloem- en katoenzaden. Zowel in verwerkte als in onverwerkte vorm leveren landbouwproducten een belangrijke bijdrage aan de export van het land. Het westen van de Kaapprovinsie is van groot belang voor de wijnbouw. Door de droogte in een groot deel van het land is de schapenteelt het belangrijkste onderdeel van de veehouderij, die wol, vlees, boter en kaas levert. Ook de visserij is van belang, vooral van sardines, ansjovis, makreel en kabeljauw. De bosbouw levert aan ca. 100!000 mensen werk. De economisch belangrijkste houtsoorten zijn acacia en eucalyptus.

4.3 Mijnbouw
Na de industrie is mijnbouw de belangrijkste sector in de economie. Het aantal - voornamelijk zwarte - werknemers neemt sterk af en bedroeg in 1991 ca. 680.000. In Zuid-Afrika worden meer dan zestig grondstoffen gedolven. Goud is het belangrijkste mijnbouwproduct, maar de productie ervan neemt af, o.m. door uitputting van de mijnen. De bijdrage van de goudproductie aan het Bruto Nationaal Product (bnp) bedroeg in 1980 nog 40%, maar was in 1991 afgenomen tot 32%. Sluiting van een deel van de goudmijnen werd aangekondigd. Na goud zijn kolen het belangrijkste mijnbouwproduct. Ruim driekwart van de Zuid-Afrikaanse energievoorziening is gebaseerd op kolen. Bovendien is Zuid-Afrika een van de grootste exporteurs van elektriciteitskolen. Zuid-Afrika is verder de grootste producent ter wereld van de platinum-metalen, vanadium, chroom en andalusiet. Vooral de platinummetalen zijn sterk in opkomst. Ze worden verwerkt in autokatalysatoren, die om milieutechnische redenen in steeds meer landen verplicht worden gesteld. Tevens is het land een belangrijk producent van diamanten, asbest, fluorspar, ijzer, lood, mangaan, antimonium, nikkel, uranium en vermiculiet.

4.4 Industrie
Anders dan in de meeste Afrikaanse landen neemt de industrie een centrale plaats in de economie in. Kenmerkend is het grote aandeel van de overheid in de vorm van (semi-)staatsbedrijven, maar in de jaren tachtig werd besloten tot privatisering in veel sectoren. De helft van de industrie is geconcentreerd in de Zuid-Transvaal (PWV-regio), terwijl daarnaast belangrijke industriŽle centra gevestigd zijn in de West-Kaap, Durban en omgeving en Port Elizabeth/Uitenhage. De grootste industriŽle sector is de ijzer- en staalindustrie, grotendeels in handen van het sinds 1989 geprivatiseerde ISCOR. Van groot belang zijn voorts de automontagebedrijven en de fabricage van autobanden (vnl. in Port Elizabeth/Uitenhage), de voedingsmiddelen- en de chemische industrie. In 1955 werd in het noorden van de Oranje Vrystaat begonnen met de productie van olie uit steenkool in de Sasol-fabriek. In 1982 en 1983 werden twee nieuwe Sasolfabrieken in gebruik genomen, waarmee naar schatting 20% van de nationale aardoliebehoefte wordt geproduceerd. Sasol heeft een omvangrijke chemische industrie ontwikkeld en levert o.m. ammoniumsulfaat, teer, was, oplosmiddelen, kunststoffen, synthetisch rubber en gas. In 1987 werd het staatsbedrijf Mossgas opgericht, waarbij uit een offshore veld (85 km van Mosselbaai) gewonnen gas omgezet wordt in vloeibare brandstof. Zowel Sasol als Mossgas zijn omstreden projecten, waarvan de economische levensvatbaarheid vanaf de aanvang ter discussie is gesteld. Sinds in 1982 de Regional Industrial Development Policy uitgangspunt werd voor het industriebeleid wordt decentralisatie nagestreefd. Deze ontwikkeling bleef evenwel tot enkele gebieden beperkt (Rosslyn, Hammarsdale en Pietermaritzburg). De economische vooruitzichten zijn somber: de afhankelijkheid van export van primaire grondstoffen is groot, scholing van werknemers en de productiviteit zijn laag, terwijl de technologische ontwikkeling zeer beperkt is.

4.5 Energievoorziening
Het grootste deel van de elektriciteit wordt geleverd door Eskom, die daardoor veruit de grootste kolenverbruiker in Zuid-Afrika is. Terwijl de republiek de grootste elektriciteitsproducent en exporteur van het Afrikaanse continent is, kunnen 23 miljoen Zuid-Afrikanen niet over elektriciteit beschikken. De in 1984 in gebruik genomen kerncentrale Koeberg produceert ca. 7% van de Zuid-Afrikaanse elektriciteit. Enkele stuwdammen leveren door middel van waterkracht eveneens een aandeel in de energievoorziening. Op het platteland is brandhout nog steeds de belangrijkste energiebron.

4.6 Handel
Zuid-Afrika is in hoge mate afhankelijk van de internationale handel. Ingevoerd worden vooral machines, voertuigen, aardolie en chemische producten; de export omvat agrarische producten en voor ruim de helft delfstoffen (waaronder goud, dat goed is voor een kwart van het totaal). De belangrijkste handelspartners zijn Duitsland, het Verenigd Koninkrijk, de Verenigde Staten en Japan. De Republiek Zuid-Afrika vormt een douane-unie met Botswana, Lesotho, Swaziland en NamibiŽ. De export stijgt jaarlijks met 12 tot 18% (1992 en 1993).

4.7 Bankwezen
Centrale Bank is de South Africa Reserve Bank. Er bestaat een groot aantal handels-, spaar- en kredietbanken, waaronder tal van buitenlandse.

4.8 Verkeer
Zuid-Afrika beschikt over een uitgebreid (232.000 km. lang) en goed onderhouden wegennet, waarvan een deel onder de verantwoordelijkheid van de centrale overheid en een deel onder die van de provinciale overheden valt. Het spoorwegnet is voor een derde deel geŽlektrificeerd. Een groot deel is buiten gebruik gesteld, waardoor de lengte afnam van 34.000 tot 21.300 km. Enkele spoorlijnen, vnl. voor vrachtvervoer, worden geŽxploiteerd door particuliere maatschappijen. De belangrijkste zeehaven is Durban, tevens de grootste haven van het hele Afrikaanse continent. Andere belangrijke zeehavens zijn: Kaapstad, Port Elizabeth, Oost Londen, Saldanah Bay en Richard's Bay.
De nationale luchtvaartmaatschappij is South African Airways, dat de internationale luchtverbindingen onderhoudt. Van de internationale luchthavens zijn Jan Smuts Airport (Johannesburg), D.F. Malan Airport (Kaapstad) en Louis Botha Airport (Durban) de belangrijkste. Er zijn voorts 200 vliegvelden voor het binnenlandse verkeer.
In 1990 werd de overheidsdienst SATS (South African Transport Services) geprivatiseerd en omgedoopt in Transnet. De verschillende divisies kregen met uitzondering van South African Airways een nieuwe naam: Spoornet voor de spoorwegen, Portnet voor de havens, Petronet voor de pijpleidingen en Autonet voor het wegverkeer.

 

Zuid-Afrika geschiedenis >>