Zuid-Afrika
geschiedenis

 

Terug naar overzicht Afrika >>

 


5. Geschiedenis

5.1 Tot de Unie
De Republiek van Zuid-Afrika is uiteindelijk voortgekomen uit een verversingspost die op 6 april 1652 door de Nederlandse Vereenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) aan Kaap de Goede Hoop werd gesticht en tot 1795 eigendom van de VOC bleef. Gedurende die periode werd het gebied bestuurd door een dertigtal commandeurs, gouverneurs en commissarissen, van wie de bekendste waren: Jan van Riebeeck (1652-1662), Simon van der Stel (1679-1699) en W.A. van der Stel (1699-1707). Al onder het bevel van de eerste commandeur ontwikkelde de verversingspost zich tot een kolonie, toen vrijbrieven werden uitgereikt aan ambtenaren van de Compagnie, die zich sedert 1657 blijvend in het land vestigden als zgn. 'vrijburgers'. In hetzelfde jaar werden de eerste slaven ingevoerd. Door natuurlijke aanwas, door de toevoeging van steeds meer vrijburgers en door immigratie, o.a. van ca. 150 hugenoten, groeide het aantal bewoners snel. Uit deze elementen (Hollanders, Duitsers en Fransen) vormde zich geleidelijk een zich over een groot gebied verspreidend volk (het Afrikanervolk) met een eigen cultuur. Binnen vijftig jaar na de volksplanting kwam het reeds tot een tamelijk ernstige botsing tussen gouverneur W.A. van der Stel en de kolonisten (Afrikaners), die slechts beperkt vertegenwoordigd waren in de centrale regeringslichamen (Politieke Raad en Raad van Justitie) en zelfbestuur eisten voor de kolonie aan de Kaap. Toen dit door de Compagnie - en in 1784 ook door de Staten-Generaal - geweigerd werd, schudden zij in febr. 1795 in de districten Graaff-Reinet en Swellendam het gezag van de VOC af en plaatsten zich onder een 'soort van onafhankelijke eigen Constitutie' direct onder het gezag van de Nederlandse Republiek. Met de eerste bezetting van de Kaap door Groot-BrittanniŽ in 1795 werd een eind gemaakt aan het bestaan van de 'onafhankelijke' staten. In 1803 kwam de Kaap op grond van de Vrede van Amiens onder het gezag van de Bataafse Republiek, maar in 1806 veroverde Groot-BrittanniŽ het gebied weer en kreeg het in 1814 blijvend in bezit.

5.2 Boerenoorlogen

Intussen hadden zich aan de grenzen voortdurend conflicten voorgedaan tussen de Boeren, die, op zoek naar voedsel voor hun vee, naar het oosten waren getrokken en daar verschillende inheemse stammen tegenkwamen die met hetzelfde doel naar het zuiden en westen trokken. In een poging de vrede te bewaren trachtten eerst de VOC en daarna de Britten blanken en zwarten te scheiden en onder de Britse gouverneur Lord Charles Somerset (1814-1828) werd zelfs een neutrale zone ingesteld. Erg effectief was deze maatregel niet en het optreden van de Britten veroorzaakte in de komende jaren ernstige grieven bij de Boeren. Hun bezwaren golden: a. de proclamatie van het Engels tot enige officiŽle taal en tot enige voertaal bij het onderwijs; b. de benoeming in de kerken van Schotse predikanten; c. de vestiging van ca. 5000 Britse emigranten in de Kaapkolonie; d. bepalingen krachtens welke Bantoe en Hottentotten volledige bewegingsvrijheid verkregen (onder invloed van de ideeŽn van de zendeling John Philip); e. de afschaffing van de slavernij (1833). De liberaal-humanitaire politiek van de Britten ten opzichte van de gekleurde volken (Afrikanen) bleek voorts uit de annulering van een door de Wetgevende Raad van de Kaapkolonie uitgevaardigde wet die een einde moest maken aan de wettelijke bescherming van niet-Europeanen, en uit de teruggave van door de Boeren geannexeerd land aan de Bantoe. Tegen de het Boerengebied binnenvallende stammen traden de Britten aanvankelijk militair op, later trachtten ze met hun leiders tot overeenstemming te komen. Al deze factoren brachten de Boeren tot de Grote Trek (sedert 1835), waarbij zij zich buiten Britse jurisdictie vestigden op gebied ten noorden van de Oranjerivier, ten oosten en ten westen van de Drakensberge. Hier stichtten deze zgn. voortrekkers de republiek Natalia, geregeerd door een gekozen Volksraad. Sedert 1842 begon Groot-BrittanniŽ die republiek op te breken: in 1842 door de verovering van de streek ten oosten van de Drakensberge (Natal) en in 1846 door de annexatie van de streek ten zuiden van de Vaalrivier onder de naam 'Orange River Sovereignity'.
Een poging, in 1848 door de Boeren gedaan om hun gezag over dat gebied met geweld opnieuw te vestigen, werd in hetzelfde jaar door de Britse gouverneur, Sir Harry Smith, bij Boomplaats verijdeld. Moeilijkheden met de Bantoe in de Kaap en in Basoetoland dwongen de Britse regering echter om het Transvaalse gebied in 1852 als een soevereine republiek te erkennen en te waarborgen en twee jaar later ook de 'Orange River Sovereignity'. Zo ontstonden naast de twee bestaande Britse kolonies (Natal en Kaapkolonie) twee republieken (Transvaal, 'Zuid-Afrikaansche Republiek' genaamd, en de Oranje Vrystaat), waarvan de onafhankelijkheid door Groot-BrittanniŽ gewaarborgd en erkend was in twee traktaten, resp. de Conventie van Zandrivier en de Conventie van Bloemfontein. Kenmerkend voor die twee republieken was de handhaving van een strenge kleurscheidslijn op elk gebied. Geen gelijkstelling werd geduld, noch in de kerk, noch in de staat. Groot-BrittanniŽ eerbiedigde de bepalingen van genoemde traktaten niet, zoals blijkt uit zijn annexatie van Basoetoland (1868), van de Transvaalse en vooral Vrystaatse diamantvelden (1871) en uiteindelijk van de Zuid-Afrikaanse Republiek zelf (1877) na de ontdekking van de Lydenburgse goudvelden. Als gevolg daarvan namen de Boeren het initiatief tot de Eerste Boerenoorlog, die begin 1881 beŽindigd werd (zie Boerenoorlogen). De ontdekking van de rijke goudlagen van Witwatersrand (1885-1886) deed Groot-BrittanniŽ opnieuw pogingen ondernemen om meester te worden van Zuid-Afrika. Elk Bantoegebied aan de Republieken grenzend werd in bezit genomen als kolonie of als protectoraat en daarna werd een binnenlandse opstand tegen de regering van Paul Kruger, de Transvaalse president, aangewakkerd, ondersteund door de imperialisten, met C.J. Rhodes aan de spits. Dit liep bij de jaarwisseling 1895-1896 uit op de Jameson-raid. Een lange diplomatieke twist hierover liep ten slotte uit op de Tweede Boerenoorlog (1899-1902), waarin de twee Boerenrepublieken, door een traktaat verplicht tot wederzijdse hulp voor het geval van agressie tegen een van beide, ten onder gingen en Britse kolonies werden. Binnen vijf jaar werd hun echter 'verantwoordelijke regering' (zelfbestuur) toegekend, een voorrecht dat Natal en de Kaapkolonie al sinds de vorige eeuw genoten.

5.3 De Unie
In 1910 verenigden de vier zelfregerende Britse kolonies zich in ťťn zelfregerende staat, bekend als de Unie van Zuid-Afrika. Louis Botha werd de eerste premier. Zijn aanhangers organiseerden zich als Suid-Afrikaanse Party. De Brits-georiŽnteerde oppositie werd geleid door de Unionistische Party van Jameson. De generaals J.B.M. Hertzog en J. Smuts kwamen in het kabinet. Tegenover de 'conciliante' houding jegens Groot-BrittanniŽ aangenomen door Botha en J. Smuts, stelde Hertzog al spoedig de opvatting 'Suid-Afrika eerste!' en de handhaving van de Afrikaner rechten. In dec. 1912 volgde een scheuring; Hertzog trad uit de regering en de Nasionale Party werd gevormd (1913).
Deze groep was in de aanvang klein, maar kreeg zeer veel bijval toen in 1914 Botha Groot-BrittanniŽ in de oorlog tegen Duitsland wilde helpen en het parlement besloot om Zuidwest-Afrika aan te vallen. Dit leidde tot de 'Rebellie', waaraan de generaals Beyers, De la Rey, De Wet en Kemp deelnamen. De opstand mislukte, maar versterkte de gelederen van de Nasionale Party. In de Eerste Wereldoorlog kwam ook de republikeinse gedachte weer naar voren: Zuid-Afrika, los van Groot-BrittanniŽ, zou buiten Britse oorlogen kunnen blijven. Ook het door Lloyd George in de oorlog gepropageerde 'nationaliteitenbeginsel' had hierop invloed, daar men het op de vroegere Boerenrepublieken wilde toepassen. Duizenden andere Afrikaners steunden echter het oorlogsbeleid van Botha en namen deel aan diens verovering van Zuidwest-Afrika en aan Smuts' veldtocht tegen de Duitsers in Oost-Afrika.
Na het overlijden van Botha in 1919 werd Smuts premier, maar de naoorlogse malaise en een met militair geweld onderdrukte staking van de blanke mijnwerkers op de Witwatersrand in 1922 deden zijn bewind geen goed. In 1924 werd generaal Hertzog premier. Onder zijn bewind werd het Afrikaans officiŽle tweede taal (1925), terwijl hij in 1926 op een Rijksconferentie te Londen de beroemde formule wist te doen aannemen, dat binnen het Britse Rijk zowel Groot-BrittanniŽ als de Dominions autonome en gelijkwaardige gemeenschappen zouden zijn, vrijwillig geassocieerd onder de Kroon.
In de periode van 1930-1932 trof de werelddepressie ook Zuid-Afrika. Nadat de regering gedwongen was de gouden standaard op te geven, werd de roep om een coalitieregering al sterker. Dit bracht de generaals Hertzog en Smuts tot elkaar en bij de verkiezingen van 1933 behaalde de combinatie een overweldigende meerderheid. Dit leidde tot verdere toenadering en in dec. 1934 zelfs tot samensmelting in de Verenigde (S.A. Nasionale) Party, waar echter de felle nationalisten onder D.F. Malan buiten bleven. Generaal Hertzog werd leider, generaal Smuts onderleider. In 1936 nam het parlement met de vereiste tweederde meerderheid een wet aan op het naturellenkiesrecht, waarbij de Kaapse Afrikanen hun gewone stemrecht verloren, maar drie (blanke) vertegenwoordigers in de Volksraad kregen, terwijl de overige naturellen in de Unie vier (blanke) vertegenwoordigers in de Senaat mochten kiezen. Het bewind van de Verenigde Party was ook in andere opzichten zeer populair, en bij de verkiezingen van 1938 werd een klinkende overwinning behaald op de Malan-aanhangers en de Engelsgerichte partijen. Het nationale bewustzijn van de Afrikaners laaide op. Een Reddingsdaadbond werd gesticht tot economische verheffing van de Afrikaner, terwijl de Ossewabrandwag een semi-militaire organisatie werd om de nationale eenheid te handhaven en het Britse imperialisme te bestrijden.
Midden in deze ontwikkeling kwam de oorlogsverklaring van Groot-BrittanniŽ aan Duitsland in het begin van sept. 1939. Een voorstel van generaal Hertzog om neutraal te blijven werd verworpen en een voorstel van generaal Smuts om oorlog te verklaren werd aangenomen. De gouverneur-generaal weigerde parlementsontbinding, Hertzog bedankte als premier en Smuts werd premier van een coalitiekabinet dat alle partijen omvatte, behalve de Nasionale Party van Malan, waar zich nu echter Hertzog (tijdelijk) en een groot aantal van zijn volgelingen bij aansloot, en die de naam Herenigde Nasionale Party kreeg. In de Tweede Wereldoorlog speelde Zuid-Afrika militair een belangrijke rol zowel in Afrika (o.a. in EthiopiŽ) als in Europa (ItaliŽ).
Na de Tweede Wereldoorlog ging Zuid-Afrika er toe over het na de Eerste Wereldoorlog bestuurde mandaatgebied Zuidwest-Afrika (NamibiŽ) in feite te incorporeren. Hierdoor, en ook door de IndiŽrwetgeving, werd een goede verhouding met de Verenigde Naties (en ook met landen als India en Pakistan) ten zeerste bemoeilijkt. Deze buitenlandse moeilijkheden kwamen in de binnenlandse politiek de Herenigde Nasionale Party, die - na afloop van de oorlogsroes - gestadig was gegroeid, ten goede. In 1948 behaalde zij onder Malan een stembusoverwinning op een programma waarin apartheid van blanken, kleurlingen, Aziaten en zwarten de hoofdrol speelde. Deze overwinning was mede te danken aan de sterke aanwas van Afrikaners, die vooral op het platteland woonden, en aan het kiesstelsel volgens districten.
In 1954 werd Malan opgevolgd door J.G. Strijdom, die in 1958 overleed. Onder diens opvolger, H.F. Verwoerd, werd in 1961 een oud ideaal van de Nasionale Party verwezenlijkt: de proclamatie van de republiek en daarmee het doorsnijden van de banden met Groot-BrittanniŽ en het Gemenebest.

5.4 Apartheid
De door de regering-Malan ingezette en onder Verwoerd verder uitgebouwde apartheidspolitiek, de gescheiden ontwikkeling van alle rassen onder leiding van het blanke ras, vormde de grondslag van het beleid (zie voor de juridische uitwerking hiervan apartheid).
Tegen het apartheidsbeleid werd in de loop van de tijd heftig actie gevoerd, vooral door de zwarten (zie tevens hiervoor apartheid). Tijdens de zgn. ongehoorzaamheidscampagne in 1952 werd verzet tegen de apartheid gevoerd op basis van geweldloosheid. De Congresbeweging African National Congress (ANC), South African Indian Congress, South African Coloured People's Organization, South African Congress of Trade Unions en het Congress of Democrats wilde op basis van het Vrijheidshandvest (dat in 1955 in Kliptown was aangenomen) de blanke minderheid op vreedzame wijze overtuigen van de noodzaak de discriminatie op te heffen. Het militante verzet werd echter sterker. Bij het bloedbad dat de politie onder een demonstrerende menigte in Sharpeville aanrichtte, vielen in 1960 ca. 70 doden. De regering verbood het ANC en het PAC. De leider van het PAC, R.M. Sobukwe, werd tot drie jaar gevangenisstraf veroordeeld (zijn detentie werd later jaarlijks verlengd, tot 1969 toen hij huisarrest kreeg). De meest actieve tegenstanders van de apartheidspolitiek werden verbannen, gedeporteerd, onder huisarrest gesteld of gedetineerd zoals N. Mandela en W. Sisulu, de blanke advocaat B. Fischer en Winnie Mandela. Premier Verwoerd werd in 1966 vermoord. Zijn opvolger, J.B. Vorster, was als minister van Justitie verantwoordelijk geweest voor de wetgeving ter bestrijding van de oppositie tegen de apartheid en ging nu de door Verwoerd ontworpen thuislandenpolitiek, die territoriale segregatie vorm moest geven, uitvoeren. In 1976 laaiden de spanningen tussen blank en zwart hoog op. In Soweto en andere zwarte woonwijken nabij Johannesburg werd geprotesteerd tegen de verplichte invoering van het Afrikaans op Bantoescholen: bij conflicten met de politie, die zich over het land uitbreidden, kwamen in de maanden juli en augustus meer dan 1000 zwarte Afrikanen om.
De diepere oorzaak van de rellen was de algemene onvrede over de apartheid. Een jaar later kwam die onvrede opnieuw tot uiting bij de begrafenis van Steve Biko, de leider van de tot de Black Conscious Movement (zie ß 3.6) behorende Black People's Convention, die op 12 sept. 1977 overleed aan verwondingen opgelopen in een politiecel. Toen de onrust bleef aanhouden, verbood de regering alle nog bestaande zwarte organisaties, samen met zestien andere geweldloze organisaties (bijv. het Christelijk Instituut van Beyers Naudť). In 1978 trad premier Vorster af. Zijn opvolger, P.W. Botha, probeerde door de vorming van een zwarte middenklasse een dam op te werpen tegen het ANC, dat onder de zwarte bevolking steeds meer aanhang verwierf. Ook de regeringen van de zwarte thuislanden, o.m. die van Kwa Zulu (waar G. Buthelezi met zijn Inkatha-beweging lange tijd populariteit genoot), werden tot dat doel ingeschakeld.
Frustratie bij de zwarte bevolking over het uitblijven van hervormingen - ook de nieuwe grondwet van 1984 bracht nauwelijks verbetering voor het zwarte deel van de bevolking - leidde tot rellen die gewelddadig werden neergeslagen door politietroepen. Weliswaar werden het verbod op gemengde huwelijken en de pasjeswet voor zwarten opgeheven, maar in juni 1986 riep de regering de noodtoestand uit voor het hele land, zodat leger, politie en inlichtingendiensten vrij spel kregen. Een belangrijke oppositiegroep vormde vanaf 1985 de nieuwe federatie van 34 vakbonden COSATU, die pleitte voor o.m. de vrijlating van ANC-leider Mandela.

5.5 Machtsoverdracht
Internationaal begon het apartheidsbeleid onder steeds heviger kritiek te staan. De EG-landen, de Verenigde Staten en Japan gingen over tot economische sancties (o.a. olieboycot) tegen Zuid-Afrika. Het verbod op vreedzame oppositie tegen de apartheid, in 1988 afgekondigd, riep een storm van internationale protesten op. Intussen laaide in Natal de strijd tussen de rivaliserende zwarte groeperingen ANC (vnl. Xhosa) en de Inkatha-beweging van Buthelezi (vnl. Zoeloe) weer op. Begin 1989 trad Botha om gezondheidsredenen als premier terug. Hetzelfde jaar moest hij ook het presidentschap opgeven. In beide functies werd hij opgevolgd door F.W. de Klerk. De Klerk betoonde zich een voorstander van een systeem dat voorziet in een politieke vertegenwoordiging van alle Zuid-Afrikanen. Op 2 febr. 1990 kondigde hij een reeks belangrijke hervormingen aan, zoals de legalisatie van zwarte politieke partijen en organisaties, waaronder het ANC en het PAC, en de onvoorwaardelijke vrijlating van Mandela. Er vonden voor het eerst besprekingen plaats tussen regering (De Klerk) en ANC (Mandela). In 1991 werden de laatste apartheidswetten afgeschaft, o.a. die op de bevolkingsregistratie, die bepaalde dat alle Zuid-Afrikanen bij hun geboorte naar ras werden ingedeeld. In sept. 1991 tekenden De Klerk, Mandela en Buthelezi samen met 23 andere organisaties een nationaal vredesakkoord, waarin de partijen zich o.m. verplichtten het geweld in te perken. Desondanks nam de gewelddadige rivaliteit tussen m.n. ANC-leden en de Zoeloe van Inkatha-leider Buthelezi niet af. Vooral in Natal en in de stedelijke gebieden in Transvaal (o.a. Soweto) vielen veel slachtoffers. De inspanningen van De Klerk en Mandela om op een voor de blanke bevolking acceptabele wijze tot een zwarte meerderheidsregering te komen, leidde in 1993 tot de toekenning van de Nobelprijs voor de vrede aan beiden.
Opheffing sancties. Het hervormingsbeleid van president De Klerk leidde tot de stapsgewijze opheffing van de vanaf 1985 door de EG afgekondigde economische sancties tegen Zuid-Afrika. Nadat de EG in dec. 1990 al een einde had gemaakt aan het investeringsverbod voor Europese bedrijven in Zuid-Afrika, werden in april 1991 de beperkingen op de invoer van ijzer, staal en gouden Krugerrand uit Zuid-Afrika opgeheven. In april 1992 hief de EG de olieboycot (vanaf 1985 van kracht) op, alsmede de sportboycot en het verbod op wetenschappelijke en culturele contacten met Zuid-Afrika.
In maart 1993 maakte De Klerk bekend dat Zuid-Afrika einde jaren zeventig kernwapens had ontwikkeld en geproduceerd. Blijkens zijn verklaring waren alle kernwapens ontmanteld vlak na zijn ambtsaanvaarding in 1989.
Terugtrekking uit Zuidelijk Afrika. Na de onafhankelijkheidsverklaringen van Angola, Mozambique (1975) en Zimbabwe (1980) trachtten deze landen met behulp van westerse steun hun economische afhankelijkheid van Zuid-Afrika te verminderen. Zuid-Afrikaanse troepen voerden direct of indirect acties uit op het grondgebied van zowel Zimbabwe als Mozambique. In Angola vochten Zuid-Afrikaanse troepen regelmatig tegen de SWAPO, de bevrijdingsbeweging van NamibiŽ die een basis had in Angola, maar tevens tegen de MPLA-regering van Angola. Zij steunden bijv. de UNITA, een van de bevrijdingsbewegingen uit de Angolese koloniale periode, die zich na de onafhankelijkheid tegen het nieuwe regime keerde.
Over de zelfstandigheid van NamibiŽ werd in de loop van de jaren tachtig onderhandeld, hetgeen ten slotte leidde tot de onafhankelijkheidsverklaring van dat land op 21 maart 1990. Zuid-Afrikaanse troepen trokken zich uit NamibiŽ terug. De Walvisbaai-kwestie werd in sept. 1993 opgelost toen Zuid-Afrika erin toestemde het gebied per 1 maart 1994 aan NamibiŽ te zullen overdragen.
Tot de verkiezingen van april 1994 bleef de regering van president De Klerk aan, maar zij moest elk besluit voorleggen aan de Uitvoerende Overgangsraad (UOR), waarin 19 partijen zitting hadden. Het Afrikaner Volksfront (AVF, een verband van blanke conservatieve partijen), de Inkatha Freedom Party (IFP) en de regering van het thuisland Bophuthatswana, samenwerkend in de Freedom Alliance, weigerden zitting te nemen in de UOR, omdat zij van mening waren dat de interimgrondwet te weinig bevoegdheden aan de regio's had toegekend. Bij een opkomst van 87% behaalde het ANC ruim 62% van de stemmen, De Klerks Nasionale Party ruim 20% en Inkatha iets meer dan 10%. Ook regionaal werd het ANC de grootste partij. Alleen in Kwa-Zulu Natal en in de Westkaap eindigden respectievelijk de IFP en de Nasionale Party als eerste. President werd Nelson Mandela, met als vice-presidenten De Klerk (NP) en Thabo Mbeki (ANC). Mandela's programma voorzag o.a. in de bouw van een miljoen huizen in vijf jaar tijd en verbeteringen in het onderwijs en de gezondheidszorg. Alle internationale sancties tegen Zuid-Afrika werden opgeheven en in juni 1994 nam de Zuid-Afrikaanse delegatie haar zetels in de VN weer in, die sinds 1976 onbezet waren gebleven.
President Mandela, die in 1995 aankondigde dat hij na afloop van zijn ambtstermijn in 1999 niet herkiesbaar was, kreeg al spoedig te maken met enkele crises. Zo trok dominee Allen Boesak, een sleutelfiguur binnen het ANC, zich terug als kandidaat-ambassadeur van Zuid-Afrika bij de VN na beschuldigingen dat hij hulpfondsen, bestemd voor sociale projecten, den eigen bate had aangewend. Verder kwam Winnie Mandela, van wie president Mandela gescheiden leefde, in opspraak door een reeks uitspraken waarin zij zich distantieerde van het regeringsbeleid en door financiŽle schandalen. In mei 1995 beschuldigde Mandela Inkatha van het aanwakkeren van het geweld in de provincie Kwa-Zulu Natal, waarbij meer dan 2000 doden vielen. In juni 1995 bepaalde het Constitutionele Hof unaniem dat de doodstraf niet verenigbaar is met het recht op leven, zoals dat was vastgelegd in de interimgrondwet. Lokale verkiezingen in nov. 1995 leverden een overwinning met tweederde van het aantal uitgebrachte stemmen op voor het ANC.
In mei 1996 stemde de Constitutionele Assemblee met overgrote meerderheid in met de nieuwe Grondwet, die na de verkiezingen van 1999 van kracht zal zijn. Na aanvaarding van de Grondwet besloot de Nasionale Party uit de regering te stappen, omdat het ANC niet bereid was gebleken de formule voor machtsverdeling na 1999 voort te zetten. Een maand eerder opende bisschop Tutu de eerste zitting van de Commissie voor Waarheid en Verzoening, die was ingesteld om duidelijkheid te verkrijgen over de misdrijven uit het apartheidsverleden. Daders van de 'vuile oorlog' zouden amnestie krijgen als zij voor de Commissie volledig opening van zaken zouden geven. De regering voerde een behoedzaam economisch beleid, gericht op terugdringing van het begrotingstekort en belastingverlaging voor de lage en midden-inkomens. Het BNP groeide met ruim 4% en de inflatie liep terug tot ruim 7%. In het gebied van Johannesburg werden legereenheden ingezet voor misdaadbestrijding. De onveiligheid was een belangrijke reden voor de aarzelende houding van internationale investeerders.