Ariègeois

 

Paarden pagina - klik hier

 
De bergpony die voorkomt tussen Rousillon en Catalonië aan de oostrand van de Pyreneeën op de grens tussen Frankrijk en spanje, wordt soms Cheval de Mérens genoemd, maar is bekender als de Ariègeois. Het ras is genoemd naar de rivier de Ariège, die in de buurt stroomt, en hoewel weinig mensen op de hoogte zijn van zijn bestaan, is het ras waarschijnlijk zeer oud.
Terwijl sommige rotstekeningen bij Niaux en Ariège, die door de Cro-Magnon-mens zijn gemaakt, het Camargue-paard afbeelden, tonen andere ongetwijfeld de Ariègeois in zijn wintervacht, met zijn karakteristieke 'baard'.
Julius Caesar kende deze pony goed genoeg om er een nauwkeurige beschrijving van te kunnen geven in zijn De bello Gallico.

Achtergrond
De Ariègeois heeft vrijwel zeker een oosterse achtergrond en is waarschijnlijk gekruist met de zware lastpaarden van de Romeinse legioenen om hem groter te maken. Zuivere exemplaren bestaat niet meer in de zuidelijke streken van het departement Ariège, want er is veel vermenging geweest met zware trekpaardenrassen als de Percheron en de Breton. Hierdoor heeft het nageslacht niet veel meer dan de zwarte kleur als herinnering aan zijn oeroude afkomst.

Kenmerken
Dit ras wordt als volgt beschreven : hij heeft een schofthoogte van 1,35-1,50 m., al komen grotere dieren alleen voor in de lager gelegen gebieden waar het gras overvloediger is.
Het ras is effen zwart van kleur, met in de winter een roestbruine gloed. Witte aftekeningen zijn erg ongebruikelijk. Manen en staart zijn dik en stevig. De rug is nogal lang, zoals het een pakpony betaamt, en er bestaat een neiging tot koehakkigheid. Dit komt vaker voor bij bergrassen werkt niet nadelig op hun tredzekerheid. De Ariègeois heeft vrijwel altijd uitstekende hoeven. Hij heeft een sterk gestel en doet het voortreffelijk op kleine rantsoenen van slechte kwaliteit.
Het ras kan ook strenge winteromstandigheden doorstaan en is zo tredzeker dat het geen hinder ondervindt van sneeuw en ijs op de bergpaden. Hij kan echter slecht tegen hitte en moet in de zomer beschutting hebben tegen de middagzon.

Verschillende gebruiken
Ariègeois-ruinen werken op hooggelegen boerderijen voor ploeg-, eg en zaaimachine tegen hellingen die voor een tractor of elk ander paard te steil zouden zijn. Het pakzadel is nu niet meer veel in gebruik, maar sleden met paarden ervoor worden nog altijd gebruikt om allerlei soorten lading te vervoeren en de Ariègeois is ook een uitstekende rijpony. In het verleden speelde het ras een belangrijke rol in de smokkelarij. In de negentiende eeuw werd er langs de Spaanse grens veel gesmokkeld, net als in Noordoost-Engeland. In Engeland gebruikte men de Cleveland Bay en in de Pyreneeën de pientere Ariègeois, of muildieren van Catalaanse ezels en Ariègeois-merries.